"Ik steek een sigaret op, denkend aan het schrijven
En in de sigaret proef ik bevrijding van alle gedachten.
Ik volg de rook gelijk een eigen weg,
En in een passend en gevoelvol ogenblik geniet ik
De bevrijding van alle bespiegelingen
En het besef dat metafysica een gevolg van zich niet lekker voelen is."
Álvaro de Campos, uit Sigarenwinkel.
Álvaro de Campos is het derde heteroniem van Pessoa dat we onder de loep namen. Hij is een futurist, een sensationalist. De meest complexe van alle heteroniemen, en zeer productief.
Zijn gedichten zijn aan ruimte en tijd gebonden.
Handtekening Alvaro de Campos
Horoscoop; De Campos was een technicus.
We kunnen het werk van De Campos zien als een voortvloeisel van het futurisme in zoverre het de verheerlijking van de
moderne tijd van machines en motoren betrof.
Het week het daarvan af in zoverre het de
starheid ervan afwees en in plaats daarvan het enthousiasme van Whitman omhelsde,
diens idealen van schoonheid en menselijkheid, en het idee dat alles, letterlijk alles
onderwerp van poëzie kon zijn. Pessoa noemde deze versmelting van moderne
elementen met emotionele elementen ‘sensationisme’ (…). Álvaro de Campos was hiervan pleitbezorger in de grote oden van zijn eerste periode. NB: sensationisme heeft hier een filosofische betekenis, en is ongelijk aan sensationalisme.
"O wielen, raderwerken, eeuwig r-r-r-r-r-r-r!
Hevig, ingehouden spasme van razende machinerieën!
Razend buiten mij en in mijn binnenste,
Door al mijn buiten mij opengelegde zenuwen"
Uit: Triomf-ode
Uit: Triomf-ode
Je krijgt het gevoel dat hij gek wordt van alles wat er is aan beweging en lawaai buiten zich, omdat het resoneert met alles in zijn binnenste.
"Alles voelen op alle wijzen,
Alles leven van alle kanten,
Eénzelfde ding zijn op alle mogelijke manieren tegelijk,
In zich het hele mensdom realiseren van alle ogenblikken
In één vervloeiend, overvloedig, volledig en ver verwijderd ogenblik."
Uit: Het verstrijken der uren
Hierin lezen we van Pesssoa's hand, over poëzie:
"Er zit poëzie in het lawaai van de karren op
straat, in elke minieme, onbenullige, lachwekkende beweging van een arbeider die aan
de andere kant van de weg het uithangbord van een slagerij schildert.
Mijn innerlijke zintuig overheerst zodanig over mijn vijf zintuigen dat ik anders tegen het
leven aankijk - dat geloof ik echt - dan andere mensen. (...) Er zit voor mij een schat aan betekenis in iets belachelijks als een deurslot, een spijker in de muur, de snorharen van een poes. Er schuilt voor mij een overvloed aan spirituele suggestie in een kip die
parmantig met haar kuikens de straat oversteekt."
Met dit 'poëzie zit in alles" voelt Pessoa zich verwant aan Walt Whitman:
GROET AAN WALT WHITMAN
"Portugal-Oneindigheid, elf juni negentienhonderd en vijftien...
Hé-la-a-a-a-a-a-a!
Van hier, uit Portugal, alle tijdperken in mijn brein,
Groet ik je, Walt, groet ik je, broeder mijn in Universum,
(....)
Zanger van de woeste en tedere broederschap met alles,
(…)
Ik behoor tot de jouwen, dat weet je heel goed, en ik begrijp je en ik heb je lief,
(...)
En zoals jij alles hebt gevoeld, zo voel ik alles, en hier zijn wij, hand in hand,
Ja, hand in hand, Walt, hand in hand, het universum dansende in onze ziel."
Uit: Groet aan Walt Whitman
Walt Whitman, 1818-1892
Whitman leefde overigens niet meer toen Pessoa dit schreef.
In de eerste les kwam Whitman ook al aan de orde, in verband met de innerlijke tegenstrijdigheden die Pessoa in zichzelf en in Whitman zag.
Dit keer haalt Swanborn van Whitman het boek Leaves of Grass aan, en gaat het om de affiniteit tussen de beide dichters aan op het vlak van 'poëzie in alles zien'.
De Campos was overigens, net als Whitman, homoseksueel. Of dat ook gold voor Pessoa is moeilijk te zeggen. De verhouding met Ophelia was moeizaam - maar Pessoa schreef ook heteroseksule gedichten. Hij was niet in één hokje te vangen. Mogelijk was hij a-seksueel?
Nederlandse vertaling door diverse dichters.
De eerder genoemde Triomf-ode is maar liefst negen pagina's lang. Swanborn karakteriseert hem als wild, onstuimig, een product van de moderne tijd. Exponent van het futurisme, uitbundig, brutaal, schaamteloos: totaal anders dan Pessoa. Maar dat kon juist, met Pessoa's heteroniemen. Alles kan onderwerp van poëzie zijn, zegt Whitman; en, in navolging, De Campos. Oude ideeën van de kunst en literatuur gingen op de schop.
Deze vorm van poëzie van De Campos kwam voort uit surrealisme en dadaïsme. Het nieuwe van de poëzie zat hem in de concreetheid, de details. Terwijl de voorafgaande heteroniemen abstract werk leverden.
Aan het slot van de Triomf-ode komt de enorme worsteling van het denken naar boven:
"Ik weet niet dat ik naar binnen toe besta.
Ik draai, ik wentel, machineer mij.
Men koppelt mij aan alle treinen.
Men hijst mij hoog op alle kaden.
Ik wentel in de schroefbladen van alle schepen.
Heia! heia-ho! heia!
Heia! ik ben de mechanische hitte en de elektriciteit!
Heia! en de rails en de machinekamers en Europa!
Heia en hoera voor mij-alles en alles, werkende machines, heia!
Springen met alles over alles! Hop-la!
Hop la, hop la, hop-la-ho, hop-la!
Hé-ha! Hé-ho! Ho-o-o-o-o!
Z-z-z-z-z-z-z-z-z-z-z-z!
O, dat ik niet iedereen kan zijn en overal!"
Bij Da Campos staat het voelen centraal, het is zijn levensmotto. Het verstrijken der uren, en het "alles voelen op alle wijzen."
Rond 1920 eindigde de sensativistische periode, en breekt er een periode van minder produktiviteit aan. Dan ook keert zijn moeder terug, na de dood van zijn stiefvader in 1919. Pessoa's moeder werd invalide na een beroerte, Pessoa verzorgde haar.
Het laatste gedicht dat aan de orde kwam is het prachtige
Maria Magdalena Pinheiro Nogueira Pessoa (1861-1925)
Vanaf 1925 schrijft hij dan weer verder als De Campos. Hij is dan niet meer brutaal of uitdagend. Hij is reflectiever, beschouwender, maar ook wanhopiger. Zie dit fragment van August Willemsen over De Campos:
August Willemsen over Álvaro de Campos:
August Willemsen over Álvaro de Campos:
“De nacht, in 1914 nog moederlijk en vertroostend, is er nu een van verschrikking en slapeloosheid. Met het ongeremde zelfbeklag dat Pessoa zichzelf niet gunde, spreekt Campos van de absurditeit van het leven, de onmogelijkheid van de werkelijkheid, de angst voor het mysterie en de nog grotere angst voor de onthulling daarvan: ‘O Waarheid, vergeet mij!’ De drang tot zelfvernietiging, in 1915 verhuld in esthetiserende programmapoëzie, klinkt in 1926 met een huiveringwekkende directheid. Campos, zonder enige vorm van geloof of zekerheid, in het vage en angstaanjagende vermoeden dat achter de kamerschermen van de ogenschijnlijke werkelijkheid de werkelijke werkelijkheid zich afspeelt (en misschien zelfs dat niet), is bij uitstek de dichter van het Niets […]”
Uit het nawoord in: Fernando Pessoa: Gedichten Arbeiderspers (tiende, herziene druk, 2009)
Uit het nawoord in: Fernando Pessoa: Gedichten Arbeiderspers (tiende, herziene druk, 2009)
Lisbon revisited (1926)
Niets hecht mij aan niets.
Ik wil vijftig dingen tegelijk.
Ik hunker met een drang van honger naar vlees
Naar iets, ik weet niet wat –
Begrensderwijze door het onbegrensde...
Ik slaap onrustig, en ik leef in een onrustig dromen
Van wie onrustig slaapt, half dromend.
Alle abstracte en noodzakelijke deuren heeft men voor mij gesloten.
Gordijnen dichtgedaan voor alle hypothesen die ik van de straat zou kunnen zien.
In de gevonden zijstraat is het nummer niet dat mij gegeven was.
Wat hier gebeurt wordt heel mooi uitgelegd door de filosoof Arnold Ziegelaar, onder de term futilisme. Na de dood van God is er geen transcendente zin meer van het leven, en dan wordt het lastig ook werkelijk de zin van het leven te vinden. Het kan alleen nog in de doelen van het dagelijks leven. Maar voldoet dat nou echt? Zie Beginselen van het futilisme, Arnold Ziegelaar.
Sigarenwinkel
"Ik ben niets.
Ik zal nooit iets zijn.
Ik kan ook niet iets willen zijn.
Afgezien daarvan koester ik alle dromen van de wereld."
Ik denk dat dit de vaakst geciteerde dichtregels van Pessoa zijn.
Om te besluiten citeerd ik hieruit nog wat meer regels, die goed de wanhoop van de zinloosheid weergeven:
"Maar de Baas van de Sigarenwinkel is in de deur gekomen en hij blijft daar staan.
Ik bezie hem met het onbehagen van het half gedraaide hoofd
En met het onbehagen van de ziel die half begrijpt.
Hij zal sterven en ik zal sterven.
Hij zal zijn uithangbord nalaten, ik zal poëzie nalaten.
Te zijner tijd zal ook het uithangbord vergaan, en ook de poëzie.
Later zal de straat vergaan waarin het uithangbord gehangen heeft,
En ook de taal waarin de poëzie geschreven was.
Nog later zal de tollende planeet vergaan waarop dit alles plaatsvond.
Op andere satellieten van andere stelsels zal zoiets als mensen
Voortgaan zoiets als poëzie te maken en te leven onder zoiets als uithangborden,
Steeds het een tegenover het ander,
Steeds het een zo zinloos als het ander,
Steeds het onmogelijke zo stompzinnig als het werkelijke,
Steeds het mysterie van de diepte even zeker als de slaap van mysterie aan het oppervlak,
Steeds dit of steeds iets anders of anders noch het een noch het ander."




.jpg)


.jpg)