dinsdag 4 augustus 2026

Graciliano Ramos, Kinderjaren, 1945 (2007)

'Niettemin behoorden slaag en geschreeuw tot de orde der dingen.'
Kinderjaren, p. 18)
Nederlandse vertaling, August Willemsen, 2007.
Portugese uitgave, jaartal niet bekend. 

De oorspronkelijke titel is Infância, gepubliceerd in 1945. De Nederlandse vertaling is van August Willemsen, 2007. Het jaar van zijn sterven.  

De structuur van Kinderjaren is anders dan die van Angst. Daar vonden we fragmenten - geen genummerde hoofdstukken, maar aangegeven elk met een asterix - wat te maken heeft met het ontbreken van een werkelijke chronologie. Kinderjaren op zijn beurt heeft hoofdstukken met elk een eigen titel. Elk hoofdstuk is ook als een apart kort verhaal te lezen. Toch zit er samenhang in het geheel, omdat personages herhaaldelijk optreden. Er zitten ook bekenden in deze roman die we ook al tegenkwamen in Angst, zoals de vader en de grootvader. Beide romans zijn in hoge mate autobiografisch, Willemsen noemt het allebei memoirenromans. Ook in Sao Bernardo treden bekende figuren weer op. 
Graciliano Ramos, 1892-1953
Het Nawoord van Willemsen heeft de prachtige titel: Het kind als vader van de mens.
Als terugkerende personen noem ik de bebaarde schoolmeester, Amaro de koeherder, Josef Baía, de negerjongen José. De grootvader van moederszijde, Pedro Ferro, krijgt in Kinderjaren een halve bladzijde in De ochtend, en het hele hoofdstuk 19 wordt aan hem gewijd. Verder eigen hoofdstukken voor dona Maria, pastoor João Inácio en José da Luz.
In Ramos' andere werk Angst komt ook de beschrijving voor van de fazenda en zijn bewoners.  São Bernardo komt weer geografisch overeen met de omgeving van Viçosa.
Cangaceiros; het beeld van hen wordt geromantiseerd, ze worden tot een soort Robin Hood verklaard. Dat heb ik bij Ramos nergens terug kunnen vinden. De fazenda-houder had ze in dienst om zo het recht in eigen hand te kunnen nemen - aldus beschrijft Ramos hen. Onderdanig aan zijn grootvader, voor wie ze de vloer met hun hoeden veegden. En verder moordden in zijn opdracht.  
Of dit plaatje klopt met hun uiterlijk weet ik ook niet. Soort algemeen plaatje voor Braziliaanse bandiet.  

Ook in Ramos' cursiefjes traden bekende figuren op, meermalen dus voorkomend. Zo is er de geitenhoeder Ciríaco, slechts vluchtig vermeld in het hoofdstuk Mijn grootvader. 

"In Viventes de Alagoas besteedt Ramos aan deze figuur een cronica die hem bestempelt tot een prototype, of archetype, van Casimiro Lopes, Fabiano en José Baía tegelijk. Hij beschikte over een rudimentaire woordenschat en sprak met horten en stoten, sprong van de hak op de tak, maakte zinnen niet af, laste lange stiltes in (....). In dat kromme en omslachtige taaltje, vol sprongen naar voren en naar achteren, verhaalde hij van langdurige gebeurtenissen, die de toehoorders op verschillende manieren begrepen. [...] Voortreffelijk mens, ik heb hem nooit boos gezien."

Het is alsof al deze figuren - Ciríaco, Casimiro Lopes, Fabriano, José Baía, afsplitsingen zijn, bijna replica's, van Graciliano's grootvader van moederszijde. Deze opa wordt soms 'met bijbelse tonaliteiten' beschreven ('Ik vergeleek hem met de oude joden, Abraham, Isaak, Esau, gelovig en carnivoor.') - '(Hij) vervulde eenvoudige plichten, de zorg voor het vee, toezien hoe het zich vermenigvuldigde (....). Geen enkele vreemde gedachte verontrustte hem, geen geschrift zou deze oude, ruige, herderlijke God kunnen veranderen.'  Hij is de baas van de fazenda, veehouder, alles is daar van leer, hij slacht zelf, heeft slaven over na de afschaffing die het immers toch nergens anders beter hebben.
Ramos beschrijft ook zijn overgrootvader in het stuk Een voorvader (geciteerd in appendix 3) die van een heel andere makelij is: nog geheel goed van geheugen, nooit veel gelezen maar weet feiten uit het publieke leven nog precies. Niet ziekelijk. "Wonderlijke ouderdom, die puur en helder was, vrij van gerochel en bronchitis." Een man wiens wereld evenmin verstoord werd door enige 'vreemde gedachte'. ('Waarvoor al dat papier? Enfin, ik weet niet, andere tijden.') Ook diens vocabulaire telde maar een paar honderd woorden. 
Sfeerplaatje
Xique, zeer verbreide cactus in het Noordoosten
In Kinderjaren zelf  wijdt hij ook veel aandacht aan zijn opa van vaderszijde. In het hoofdstuk 'De Ochtend' beschrijft hij beide grootvaders. De 'zachte', van vaderszijde, maakt zeven. Degelijk handwerk, niet nagemaakt van de fabriekszeven, maar precies uitgedacht, vol geduld in elkaar gezet, hartstikke degelijk, maar niemand gebruikt ze.  Hij zingt. Hij is het tegendeel van de grootvader van moederszijde, de al eerder beschreven 'barbaar,' die eigenhandig slacht, alles van het vee weet, en de fazenda beheert.
Graciliano voelt sympathie, bewondering en afgunst voor beide opa's. en die gevoelens moeten hem hebben verscheurd. Hij kon niet zijn dan anders dan zij. Hij heeft een gruwelijke opvoeding gehad - ik noem met name het hoofdstuk Een riem: zijn vreselijke vader mishandelt hem omdat hij denkt dat Graciliano zijn riem heeft. Aan het eind van het liedje ligt de riem gewoon in zijn hangmat. Hij maakt geen excuus. Letterlijk alles is achterlijk en vreselijk voor hem als kind, zie zijn schoolopleiding en die vreselijke vader, al zijn er enkele fijne mensen. Wel vraag je je als lezer (mét Willemsen!) af hoe zo'n jongen kon uitgroeien tot de grote schrijver Ramos die hij was!
Dat antwoord ligt volgens Willemsen bij zijn grootvader van vaderszijde. Van hem erft hij het geduld, het handwerk, het precieze, het géén-plagiaat. 
Maar er is ook die ruwe, fazendabaas, voor wie hij bewondering voelt. Willemsen legt uit,  dat de twee grootvaders symbool staan voor de twee beschavingsvormen van het noordoosten: tegenover de barbaarse 'lederbeschaving' van de op veeteelt aangewezen sertão, staat de verhoudingsgewijs verfijnde suikerrietbeschaving van de mata, de strook tussen kust en sertão. Tertuliano Ramos (die van het geduldige en degelijke handwerk) vertegenwoordigt de kust, zij het dat hij door verlies van zijn plantages in aanzien is gedaald. Graciliano ziet hem als symbool van de kunstenaar. De manier waarop hij zeven maakt is toepasbaar op de manier waarop Graciliano schrijft. 'Die absurde roeping voor nutteloze dingen. De andere, van moederszijde, Pedro Ferro, vertegenwoordigt het mannelijke, stoere.
Sfeerplaatje: 
Urubu, zwarte gier, zeer verbreid in Brazilië, waar hij als afvalopruimer soms in zwermen van honderden te zien is. 
Graciliano's verhouding tot de twee naturen zijn complex en wisselend. Graciliano vertoont minachting en haat jegens de sociaal zwakkeren, tegelijk met verontwaardiging en solidariteit. Hij poogt in het reine te komen met zijn eigen zwakheid. Keerzijde van die zwakheid is de bewondering voor de sterke, die gekleurd wordt door afschuw en afgunst.
Certanjero of veedrijver, uit de regio Pernambuco
Hij zal zelf nooit zo kunnen zijn, hij is kunstenaar - maar hij kan zijn eigen kunstenaarschap niet waarderen. Een jongetje dat een kat een brandende lap aan de staart bindt, bewondert hij, hij verrichtte in  Graciliano's ogen een heldendaad. 
In Angst bewondert hij Julião Tavares, maar minacht hem ook, de mooiprater, de literatuur die niks om het lijf heeft. Luis da Silva, hoofdpersoon, heeft een superieure intelligentie, en hij ziet dat Tavares een minderwaardig wezen is... En toch heeft Julião alles wat hem zelf ontbeert: aplomb, welbespraaktheid, rijke familie, sociaal aanzien, savoir vivre. Kijkt Da Silva naar zichzelf in de spiegel, dan ziet hij 'een bête gezicht', hij 'weet' dat iedereen hem uitlacht, 'met het voorkomen van een muis, een welopgevoede muis, met zijn pootjes friemelend in het pakje sigaretten.'
Hij bewondert lui die misdaden plegen om te laten zien dat ze niet met zich laten sollen. Het aangrijpendeste voorbeeld is misschien "Het ongelukkige kind". Dit gaat om Cícero Feitosa, van homoseksualiteit verdacht, gefolterd en uitgestoten. Beging op zijn 15e zijn eerste moord en werkte zich door misdaad op tot 'de sterke'. Nam wraak op al zijn vroegere folteraars. 
Graciliano houdt zijn hele leven zijn vroegere bewondering voor geweld. 'Zijn welopgevoedheid, zijn beschaving, zijn kunstzinnige aanleg, de letteren kortom, waartegen hij als kind een soort passief verzet pleegde, brachten hem als volwassene tot een dodelijke haat jegens mooipraterij, tot misprijzen van zijn eigen werken literatuur in het algemeen, want het geschreven woord hield de mens maar af van zijn zelfvervulling als sterke.' 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten