zondag 3 april 2022

Nederlaag, Kahlil Gibran, 2018.

Boekomslag.

Nederlaag, mijn Nederlaag, mijn eenzaamheid en
mijn terughoudendheid,
jullie zijn me dierbaarder dan duizend overwinningen
en zoeter voor mijn hart dan alle wereldse triomf.

Nederlaag, mijn Nederlaag, mijn zelfinzicht en
mijn opstandigheid,
door jullie weet ik dat ik nog jong ben en snel ter
been,
niet te vangen door verwelkende lauwerkransen.
En in jullie heb ik het alleen-zijn gevonden
en de vreugde om vermeden en gehoond te worden.

Nederlaag, mijn Nederlaag, mijn blinkend zwaard
en schild,
in jouw ogen las ik
dat getroond worden gelijk staat aan slavernij,
dat verstaan worden gelijk staat aan verlaging
en dat begrepen worden niets is dan je volheid 
bereiken
en dan als rijpe vrucht te vallen
en opgegeten te worden.

Nederlaag, mijn Nederlaag, mijn stoutmoedige 
metgezel,
je zult mijn liederen horen
en mijn kreten en mijn stiltes.
En niemand dan jij zult tegen me spreken
over het slaan van vleugels en
over de drang van zeeën en
over bergen die branden in de nacht.
En jij alleen zult mijn steile en rotsige ziel 
beklimmen.

Nederlaag, mijn Nederlaag, mijn onsterfelijke moed, 
jij en ik zullen samen lachen om de storm.
En samen zullen we graven delven
voor alles wat in ons sterft,
en we zullen in de zon staan met een wens 
en we zullen gevaarlijk zijn. 

Uit: Een boekje over geheimen

Vertaling uit het Engels van Wim van der Zwan; Engels: Neil Douglas-Klotz.
Kahlil Gibran's little book of secrets.

Selectie van teksten over het leven en uit het werk van de Libanese dichter, filosoof en schilder, 1883 - 1931.
De schrijver in 1913. 

Pilgrim Fathers, Frans Verhagen, 2020.

Ondertitel: Van Leiden naar het beloofde land, 1620. 
Schrijver van dit boek is Frans Verhagen. Het is belangrijk te weten, dat Verhagen Amerika-kenner is. Hij schreef verschillende werken over de Verenigde Staten, waaronder het grote werk Geschiedenis van de Verenigde Staten. 
Verschenen in 2021.
Ik vermeld dit, omdat Pilgrim Fathers mij een onderdeel van het grotere werk leek te zijn. Het verhaal werd mij af en toe te kort en te 'opsommerig' verteld. Dat viel bij voorbeeld op toen even kort de totale geschiedenis van de kolonisatie van Amerika behandeld werd. New England is daar maar een onderdeel van. Dat overzicht werd een dichte opeenstapeling van feiten met voor mij veel hiaten. 
Ook de namen die in het verhaal van de Pilgrims voorkwamen waren te dicht opéén, werden ook te weinig tot leven gewekt. De plaatjes zeggen ook nauwelijks iets.
Het scheelt een beetje, dat er een tv-serie gewijd is aan het onderwerp, dat gaf het verhaal weer wat meer body. Maar diepgravend, of goed verklarend vond ik het boek niet.  
New England of Nieuw-Engeland is een regio in het uiterste noordoosten van de Verenigde Staten. Het omvat de staten Connecticut, Maine, Massachusetts, New Hampshire, Rhode Island en Vermont. In het zuidwesten grenst de regio aan de staat New York, die tot de Midden-Atlantische staten wordt gerekend.
De naam is al in gebruik sinds het begin van de koloniale tijd; John Smith beschreef het gebied in 1616 onder deze naam.
John Smith, Engels ontdekkingsreiziger; 
stichtte de eerste Engelse kolonie in de Nieuwe Wereld, in Jamestown, Virginia. Vóór de Pilgrims. 
Klein deel van de inbedding in de geschiedenis; hierboven twee plaatjes die dat  illustreren. 
William Bradford, 1590-1657.
Beschreef de eerste jaren van de stichting van de kolonie. Hij is erg belangrijk voor onze kennis over de Pilgrim Fathers. 
Of Plymouth Plantation
geschreven tussen 1630 en 1651 door William Bradford. Verslag van de eerste jaren van de stichting van de kolonie. 
Het gebied New England werd deels gekoloniseerd door de onderhavige geloofsgroep. Oorspronkelijk waren ze afkomstig uit Engeland, uit Scrooby, om precies te zijn. Ze noemden zich puriteinen. Ze hadden zich tot doel gesteld een nieuw Jeruzalem te bouwen en hun geloof te verspreiden. 
Van de oorspronkelijke Scrooby-groep waren er op een bepaald moment in Leiden nog maar 21 over. Uit angst voor verwatering van hun religieuze ideeën groeide het verlangen te vertrekken naar Amerika. 
De Reformatie in Engeland geschiedde van bovenaf; zo ontstond de Anglicaanse kerk, staatskerk. Vanaf 1558 was koningin Elizabeth hoofd van de kerk. 
Radicale protestanten vonden de kerk niet zuiver genoeg, ze wilden terugkeer naar het zuivere christendom. Ze geloofden in predestinatie, en waren wars van allerlei franje; ze stichtten hun eigen congregaties en stonden een voorbeeldig gedrag voor, dat wijst op uitverkiezing. 
Elizabeth was op deze geloofsgroep tegen, ze zag in hun gedrag een recept voor opstand. 
Haar opvolger James I zag de puriteinen als een bedreiging voor de monarchie. Ze mochten kiezen: de bak in, of verbannen worden.
William Brewster was de leider van een congregatie in Scrooby, de predikant daar was John Robinson. 
Deze ploeg vluchtte naar Holland, waarmee al onderlinge contacten over en weer bestonden. Met grote moeite vluchtten ze, en kwamen in 1608 in Amsterdam aan. Toen ze daar niet aardden, vertrokken ze naar Leiden. 1609.
Door te verhuizen naar de nieuwe wereld ontkwamen zij ook aan vervolging in Engeland. 
 
Illustratie van de drukkerij van William Brewster, hij was de huisdrukker van de Pilgrims.
Foto van: DEZE SITE
In Leiden ontwikkelde de groep zich van separatisten naar Pilgrims.
Weliswaar vond men in Leiden geloofsvrijheid en financiële steun en veiligheid, toch kon men er niet aarden, ze moesten hard werken en waren rechter in de leer dan de andere Leidenaars. Ze werkten in de lakenindustrie. John Robinson als geestelijk leider, en William Brewster als organisatorisch leider zetten hun werk daar voort. 
De Pilgrims gaan scheep; biddend in het zwart, John Robinson, 1576-1625. 
Eerst voeren ze met de Speedwell, later met de Mayflower. 
William Brewster (1567 - 1644) was een Engelse ambtenaar en Mayflower- passagier in 1620. Brewster werd senior ouderling en de leider van de gemeenschap.
Staten in Amerika.
Cape Cod Bay; kabeljauwvangst, en later walvisvaart, waren belangrijk. 
(Zie ook Moby Dick!)
Situering van de Plymouth Colony.

Squanto, de Indiaan die de Pilgrims ontmoetten. Hij sprak Engels en zou de Pilgrims helpen te overleven. 
De geschiedenis in Amerika van de Pilgrim Fathers is er een van veel honger en ontberingen, zoals van slechte oogsten, Veel mensen stierven. Er was contact met de indianen, dat soms erg goed verliep, zie Squanto. 
Maar er vonden ook gruwelijke confrontaties plaats, en niet speciaal alléén met de Pilgrims. Zo vond er een gruwelijke moordpartij plaats bij de Mystic River. Het staat bekend als het bloedbad van Mystic - ofwel als het bloedbad van Pequot en de Slag bij Mystic Fort. Dit vond plaats op 26 mei 1637 tijdens de Pequot-oorlog, toen kolonisten aldaar iedereen neerschoten die probeerde te ontsnappen uit het houten palissadefort. Ze doodden het grootste deel van het dorp als vergelding voor eerdere Pequot-aanvallen. Er werden tussen de 400 en 700 Pequot-burgers (!) gedood, en de enige Pequot-overlevenden waren krijgers die met hun sachem (= opperhoofd) Sassacus op pad waren voor een overval.
Werk van Thomas Morton.
Bij alle wederwaardigheden tussen kolonisten en indianen was ik erg onder de indruk van Thomas Morton. Verhagen vertelt dat hij 'een flierefluiter' was. - Maar wel een hele sympathieke: hij kon het best vinden met de indianen. Hij richtte een meiboom op in zijn nederzetting, waaromheen hij samen met de indianen danste en lekker dronk. Hij kon heel goed handel met hen drijven. 
Verhagen beschrijft de reactie van de Pilgrim Fathers op Morton als jaloers, en ook als steil. Ze konden het niet zetten dat Morton het zo goed deed, en hadden natuurlijk allerlei rechtzinnige motieven: de losse levenswandel. De 'squaws' zouden ook te gemakkelijk overgaan naar de kolonisten, wat zou kunnen uitlopen op oorlog. Vooral het ruilen van handelswaar tegen wapens werd bekritiseerd, maar dat was nogal hypocriet, het was ook elders gebruikelijk. 
Morton vond de indianen heel wat beschaafder dan de kolonisten, wat ik alleen maar kan beamen, na alle verhalen over moordpartijen. 
Morton vluchtte naar Londen, kwam ook weer terug, en werd gevangengezet. Hij overleed in gevangenschap, was al met al toch 71 jaar oud geworden. Hij zette zijn geschiedenis te boek in het 3-delige New English Canaan, zie foto boven. 
Kaart van de diverse indiaanse volkeren die de regio bevolkten waar de Pilgrims voet aan land zetten.
Het is vreselijk om te lezen hoe het verdrijven van de indianen feitelijk in zijn werk is gegaan. Aanvankelijk waren de indianen de nieuwkomers niet eens zo slecht gezind, wel kun je zeggen dat ze voor de kolonisten nogal ondoorgrondelijk waren. Ze pikten bijvoorbeeld ook wapens uit de nederzettingen. Maar aan het voorbeeld van Squanto is te zien dat ze ook hulpvaardig konden zijn. Velen van hen overleden door meegebrachte ziektes van de kolonisten. 

Thanksgiving is een belangrijke Amerikaanse feestdag die zijn oorsprong vond bij de Pilgrim Fathers. 
Eerste Thanksgiving, 1621.
Ingesteld nadat de oogst geslaagd was dankzij de hulp van de indianen van de Wampanoag-stam. De eerste oogst was mislukt.  

Mijn oordeel over dit boek:
Ik vind Amerika een hele vervelende voorgeschiedenis hebben. Dat komt in dit boek ook goed tot uiting. Het land is gebouwd op de verdrijving van indianen. 
Het contrast tussen Thanksgiving Day en het verheerlijken van de mythe van de Pilgrims enerzijds, en de teloorgang van de oude inheemse cultuur anderzijds, is vreselijk. 
Het boek confronteert me voortdurend met dat nare verleden.  

Een bezwaar dat ik heb, is van een ander niveau: 
Soms gaat de auteur me te snel. Hij legt niet uit wat de frontier is, een sachem (= opperhoofd), of een indentured servant (contractarbeid). 
Frans Verhagen, geboren 1954; Amerika-kenner. 

maandag 28 maart 2022

Het Handboek van de Inquisiteurs, António Lobo Antunes, 1996 (2007)

Boekomslag; de raven vliegen voortdurend rond om de gebouwen van de quinta. Ze lachen. Sinister beeld bij het verhaal. 
Dit boek is als een caleidoscoop samengesteld: tijden, personen en plaatsen worden door elkaar heen gemengd in een kleurrijk verhaal. Dat het ondanks alle stukjes en brokjes tóch goed verstaan kan worden, ligt aan de talloze zinnen die steeds herhaald worden. 
Zo is er in een eerste hoofdstuk de herhaalde zin: "Ik doe alles wat ze willen maar houd mijn hoed wel op zodat ze weten wie de baas is." - De zin typeert Francisco, de eigenaar van de quinta, die elk dienstmeisje of een hem bekende vrouw (onder anderen de weduwe van de apotheker, de vrouw van de sergeant) pakt, en die, naar later blijkt, hoorndrager is. Zijn vrouw Isabel heeft hem verlaten voor een ander. Hoewel Francisco beestachtig is, krijgt hij door die verloren liefde een menselijke trek.  
Terug naar de herhaalzinnen: 
De schoonmoeder van Francisco's zoon Joao wordt getypeerd met de zin: Zeg ben je betoeterd; als Francisco oud is en na een beroerte in een verpleegtehuis is beland, wordt voortdurend de zin van de verpleging herhaald: Plasje meneer goed zo mooi heel braaf. 
Ik zit in de knoei, Titina, help me. Weer een zin van Francisco. Typeert meteen ook de belangrijke rol die de huishoudster Titina speelt in het leven van vader en zoon. Voor beiden moet ze de angst bezweren. 
Harrie Lemmens vertaalde het boek. 
Als ik het verhaal chronologisch vertel, gaat er een hoop verloren; het is juist dat door elkaar lopen dat het zo interessant maakt. Toch, voor het goede begrip, een korte samenvatting: 
Het gaat om quinta-eigenaar Francisco, minister in het bewind van dictator Salazar. In zijn goede tijden was hij machtig en rijk, en kon doen waar hij zin in had. 
Als er oorlog uitbreekt in Angola (kolonie van Portugal) en meteen ook de communisten in Portugal de macht grijpen, is het gedaan met zijn macht en rijkdom. 
Op het persoonlijke vlak heeft hij het ongeluk dat zijn vrouw Isabel, van wie hij veel houdt, hem in de steek laat voor een andere hooggeplaatste. Dat maakt hem wrokkig en boers. Hij kleedt zich in een broek met elastieken bretels, heeft altijd een maf hoedje op en een sigaar in zijn mondhoek. 
Het botert niet tussen hem en zijn zoon. 
Zijn zoon Joao opent het boek met zijn verslag, hij zit in een rechtszaak omdat zijn vrouw van hem wil scheiden. Hij krijgt het verwijt van haar en haar familie dat hij de erfenis van de quinta verduisterd heeft. Het tegendeel is waar, Joao was een soort loopjongen van de familie, die moest doen wat zij hem opdroegen. Het was ook vernederend, 'daar en daar moet je tekenen.' De werkelijkheid is dat één van haar neven na het vertrek van Francisco gezorgd heeft dat via malversaties het gehele eigendom naar de schoonfamilie ging. De man in kwestie kwam er natuurlijk het beste vanaf. Schaamteloos liet hij de hele quinta slopen, en zette er een bungalowpark voor in de plaats. Zo werd hij er zelf het beste van.
António de Oliveira Salazar (1889-1970) 
was tussen 1932 en 1968 minister-president van Portugal. Hij gaf leiding aan het autoritaire bewind van de Estado Novo. 
Het keukenmeisje - steeds gepakt door Francisco, met zijn hoed op, en sigaartje in de mond - raakt zwanger. De huishoudster Titina helpt meneer, hij laat de veearts (!) komen om het meisje bij te staan bij de bevalling. Het dochtertje wordt naar een vrouw in de stad gebracht, een winkelierster met een winkeltje in garen en band. Zij wordt de stiefmoeder van Paula. 
Die stiefmoeder zal later zelfmoord plegen. Paula en Joaoa zijn dus halfbroer en -zus. Ook zij verdenkt haar broer van het inpikken van de erfenis. 
Francisco pikt, als hij al oud en wat seniel is, een meisje op die hem erg aan zijn vrouw Isabel doet denken. Deze Tania (?) en haar moeder komen in een dure flat te wonen, en kunnen opeens allerlei dure spullen kopen. De hele buurt kijkt naar hen op, nu ze in de gratie bij de minister staan. Maar dit is van tijdelijke aard, op een gegeven dag denkt Francisco dat deze geliefde die hij voor Isabel aanziet, hem (net als Isabel) in de steek gaat laten. Dan zet hij haar aan de dijk. 
We maken episodes mee dat we het Portugese bewind van zijn vreselijkste kant zien: een moord op een echtpaar, de lijken worden met ongebluste kalk bestrooid. En een jong meisje dat rustig uit het raam springt, een communiste, met grijze trui en rok en een bos zwarte krullen. Ze leeft nog, maar medische hulp wordt haar onthouden. 
Het laatste woord is aan Francisco, hij blijkt toch van zijn zoon te hebben gehouden. 

Het boek bestaat uit een aantal verslagen, de verslagen worden gevolgd door commentaar. 
De verslagen hebben ondertitels, of motto's: 
Zo krijgt het Eerste Verslag het motto mee: Laat iedere clown vliegen als een onbekende vogel.
Het Tweede verslag: Het malicieuze karakter van de levenloze dingen.
Het Derde Verslag: Over het bestaan van Engelen. 
Het Vierde: De twee in extase uitgetrokken schoenen.
Het Vijfde: Bijna sterfelijke vogels van de ziel. 
Quinta da Avelada in Penafiel, Portugal; een voorbeeld van een traditionele landelijke quinta.
Quinta betekent dus: landgoed. 
Elk verslag is weer samengesteld uit diverse andere verslagen, plus commentaren daarop. 
Ik vind het moeilijk om de motto's te verklaren. Ik probeer nu alleen van het Eerste Verslag een opsomming te geven, dat verheldert wat: 
Het begint met een verslag van de huishoudster Titina; de chauffeur wordt 'een clown' genoemd. Het commentaar komt van Odete, dochter van de pachter. Moeder van het bastaarddochtertje van Francisco. 
Het tweede verslag in dit deel komt van zoon Joao. Hij heeft als klein jongetje de ruzies tussen zijn ouders meegemaakt. Hij is bang voor wolven in de nacht, Titina is zijn 'eigenlijke' moeder, zij verzorgt hem liefdevol. Zij is ook erg belangrijk voor Francisco, al jaagt hij haar na de Revolutie weg als communiste. In haar ouderdom - zoals verderop zal blijken - mist ze zowel vader als zoon, ze begrijpt niet dat die haar niet opzoeken in het bejaardentehuis. 
Het commentaar hierop komt van Sofia, de nare, rijke vrouw van Joao, zij en haar rijke familie vernederen Joao en pikken alle bezittingen in.
Opnieuw een verslag van Joao, die na de scheiding op de quinta woont, zijn bed tegen het fornuis heeft aangeschoven. Hij bouwt een boot in de schuur. Mannen 'als clowns' laten hem papieren tekenen, hij werkt voor hen op een bank maar snapt er niets van.  
Na de REvoluite zetten 'twee onbeduidende mannetjes hem de quinta uit. De clowns zitten nu in Cascais, de gevangenis. 
In het commentaar volgt het relaas van de man in Zwitserland. Ook na de Revolutie zorgen de rijkaards dat ze bezit in handen krijgen. 
Schrijver Antonio Lobo Antunes. 
geboren 1942. 
Geldt als een van de belangrijkste hedendaagse schrijvers. 
Citaat Trouw, Ger Leppers, 23 januari 2021:
"Er zijn niet veel schrijvers wier boeken op mij zo verslavend werken als die van de inmiddels 78-jarige Portugees Antonio Lobo Antunes. Die verslaving is vooral te danken aan de diepte die de auteur aan zijn personages geeft en het mededogen dat hij weet op te roepen, ondanks hun menselijke tekortkomingen."

De titel behoeft nog wel enige toelichting:
Het oordeel over al deze personages komt denk ik de lezer toe. De lezer is de inquisiteur, hij moet het doen met de geboden verslagen en de commentaren daarop. 
Het geheel maakt duidelijk, dat het niet altijd gemakkelijk is om uit te maken hoe slecht een slecht mens precies is.  

donderdag 17 maart 2022

Het Heilige, Rudolf Otto, 1917.

Ondertitel: Over het buitensporige van het numineuze, het mysterie dat doet huiveren en fascineert. 
[De afbeelding op de boekomslag is een schilderij van Caspar David Friedrich, Neubrandenburg im Morgennebel, 1817.]
Dit boek is geschreven door Rudolf Otto, 1869-1937; 
Luthers godsdiensttheoloog.
Dit is zijn hoofdwerk, oorspronkelijke titel Das Heilige (Breslau 1917). 
Wikipedia: Otto benoemt het heilige als de essentie van iedere religie. Het goddelijke is altijd 'das ganz Andere', het 'totaal vreemde', het is de kern van religie. 
Het heilige wekt tegelijkertijd vrees en fascinatie op. 
Otto introduceerde ook het begrip numineus, aan adjectief dat verband houdt met het begrip numen: Numen (meervoud Numina) is een Latijnse term voor 'spirituele kracht' of 'voelbare heilige aanwezigheid' om te verwijzen naar het geheimzinnige, wat tegelijk kracht uitstraalt. 
Otto vormde dit woord naar analogie van het woord omen: Omen (meervoud 'omina') is van oorsprong een Romeinse, maar tegenwoordig overal gebruikte, term voor een gunst­ig of ongunstig voorteken, dat uit een geobserveerd fenomeen wordt afgeleid. Deze voortekenen komen over de hele wereld voor, in allerlei culturen.
Tapijt van Bayeux, Komeet Halley als omen. 
Vermoedelijk vervaardigd in 1068. De komeet zit rechtsboven. 
De termen numen/numineus worden in de Nederlandse literatuur gebruikt door onder meer Hella Haasse, Johan Polak, Gerard Reve en Harry Mulisch. Het komt overeen met het begrip het sublieme, van Kant.  
Het Nederlandse boek Het numineuze van Tjeu van den Berk verwerkt praktisch wat Otto theoretisch uiteenzette. 

Het Heilige is een merkwaardig mooi boek, dat eigenlijk probeert te beschrijven wat religie, meer in het bijzonder: religieuze gevoelens, precies behelzen. Door de nadruk op de religieuze emoties kom je als geïnteresseerde veel te weten over wat mensen in religieus opzicht bezighoudt.
Het boek is al tamelijk oud, 1917, en wereldberoemd. Otto schrijft met zeer veel gevoel. 
Ik neem er een paar dingen uit:

Ik was getroffen door de paragraaf over 'uitingsmiddelen van het numineuze in de kunst.'  Voor het onzegbare, het goddelijke, verhevene dus. 
Otto noemt hier de grotten van Longmen:
Grotten van Longmen
Het Longmen Caves Research Institute heeft becijferd dat er 2345 grotten en nissen aanwezig zijn, met 43 pagodes, 2800 inscripties en meer dan 100.000 boeddhistische beelden en beeldjes. Ze vormen de grootste verzameling van Chinese kunst uit de late Noordelijke Wei-dynastie en de Tang-dynastie een zijn ontstaan in de periode van 494 tot 907 na Chr.
longmen grottoes - fengxiansi. (Foto: CC/Flickr.com | Xuan Che)
Longmen Caves. (Foto: CC/Flickr.com | James Jin)
Ik had nog nooit gehoord van deze geweldige schat uit het verleden. 

Al lezende, herinnerde ik mij het verschrikkelijke verhaal van de grote Boeddha-beelden in Afghanistan, die door de Taliban werden opgeblazen. Ook deze plaatjes zocht ik nog eens op:
55 m, "Westelijke Boeddha"
38 m "Oostelijke Boeddha"
De twee plaatjes hierboven zijn De boeddha's van Bamiyan in 1886, zoals gepubliceerd door PJ Maitland, The Illustrated London News.
Foto uit 2005Tracy Hunter van Kaboel, Afghanistan - Vernietigd Standbeeld
Zicht op de Bamiyan Vallei met verwoest boeddha-beeld. 
De grootste boeddha voor en na de vernietiging
De Boeddha's dateren uit de zesde eeuw; het grootste beeld stelde Dikanpara voor. 
Ze werden verwoest in de eerste week van maart, 2001.

Niet alleen in beelden komt het numineuze tot uiting, Otto geeft ook voorbeelden van schilders:
Uit: Chinesische Landschaftmalerie, Otto Fischer, 1921
'Deze werken behoren tot het diepste en verhevenste, wat menselijke kunst ooit heeft voortgebracht.' - Aldus Otto.
Otto Fischer, Landschaft mit Regenschauer.
'Wie zich daarin verdiept, speurt achter deze waterpartijen en nevelen en bergen geheimzinnig ademend het oeroude Tao, het op en neer verborgen Zijn. Menig diepe geheimenis ligt in deze beelden omsluierd-ontsluierd. Het weten van het 'niets', het weten van 'het ledige', het weten van Tao van hemel en aarde, dat ook het Tao van het menselijk hart is, ligt erin.' (Rudolf Otto)

Otto beschrijft niet alleen het christendom, maar religie wereldwijd. 

De volgende kunstvorm die hij noemt, is - het kan niet missen: de Gotiek.
Interieur van de kathedraal van Amiens (Hauts-de-France, Frankrijk)
Kathedraal van Reims op een 19e eeuws schilderij
Foto van DEZE SITE.
Ulm Minster (2005)
Foto Patrick Six. 
Kerk met de hoogste toren ter wereld, Ulm, Baden-Würtemberg. 'Méér dan magisch', aldus Otto. 

In de literatuur wordt het numineuze aangegeven door het zwijgen en het donkere:

Nun kehr ich ein;
Herr, rede du allein
Beim tiefste Stille-sein
Zu mir im Dunklen,  

Gerhard Tersteegen.
Gerhard Tersteegen, Rijnlandse mysticus.
1697-1769.
Ik citeer heir graag Meister Eckharts boek: Over God wil ik zwijgen. 
Behalve zwijgen en duisternis is er nog een derde middel voor een sterke numineuze indruk: het lege en de uitgestrekte leegte. 
Otto noemt hier de keizerlijke grafgebouwen van de Ming-dynastie bij Nanking en Peking,  'die de lege vertes van een compleet landschap in hun opzet integreren'. 
Ligging van de graven aan de voet van de bergen.
Heilige weg, of weg der zielen, naar de tombes toe. 
Omgeving.
p. 144 
Een heel mooie samenvatting van het boek is te vinden op deze site: 

“Ik heb het Sanctus, Sanctus, Sanctus gehoord van de kardinalen in de Sint Pieter, en het Swiat, Swiat, Swiat in de kathedraal in het Kremlin en het Hagios, Hagios, Hagios van de Patriarch in Jeruzalem. In welke taal ze ook klonken, deze sublieme woorden reiken altijd tot in de diepste diepten van de ziel, opwekkend en met een machtige huivering het geheim beroerend van het bovennatuurlijke dat daar slaapt.”

Rudolf Otto beschrijft zijn indrukken en gedachten over het heilige na zijn reis naar het oosten in 1911. Vanaf dat moment kon Otto de kwestie van het heilige niet loslaten. Het is het thema van zijn leven.
In 1917 publiceerde hij dit boek, dat hem beroemd zou maken en dat nog steeds wordt beschouwd als een mijlpaal in de religieuze psychologie en religieuze studies.
Immanuel Kant, 1724-1804
Bij zijn studie naar het heilige was Otto beïnvloed door Kant, in het bijzonder met diens Kritik der reinen Vernunft (1781). Daarin onderzoekt Kant de grondslagen en de grenzen van de menselijke kennis. Het wordt als zijn belangrijkste werk beschouwd.
Jakob Friedrich Fries, post-kantiaan.
1773-1843
Maar ook de kantiaan Jakob Friedrich Fries was van bijzonder belang voor Otto's denken. Fries beschreef in "Kennis, Geloof en Bewustzijn" (Wissen, Glauben und Ahndung) intuïtie als een aparte vorm van kennis. In tegenstelling tot kennis en geloof verwijst intuïtie niet naar de werkelijkheid, maar naar een ideale wereld. Gevoelens en esthetische ervaringen spelen daarbij een rol.
Via Fries kwam Otto bij psychologie, in het bijzonder de kennis van emoties. Zo kwam hij uiteindelijk in aanraking met de geschriften van de Amerikaanse psycholoog William James, de grondlegger van de moderne godsdienst-psychologie.
William James, 1842-1910
In zijn standaardwerk The Varieties of Religious Experience  (Over de diversiteit van religieuze ervaringen) uit 1902 beschreef hij religieuze gevoelens als persoonlijke, subjectieve en serieus te nemen gevoelens die geen cognitieve waarde hebben, maar wel de praktische levenswijze van het betreffende individu beïnvloeden. Religie in deze zin betekent volgens James:
'Gevoelens, acties en ervaringen van individuen die van zichzelf geloven dat ze verband houden met het goddelijke.'
Ook voor Otto is religie vooral een gevoel. Hier is hij het niet alleen eens met William James, maar ook met de grote protestantse theoloog Friedrich Schleiermacher.
Friedrich Daniel Ernst Schleiermacher, 1768-1834.
Theoloog, filosoof en bijbelgeleerde, bekend om zijn poging om de kritiek van de Verlichting te verzoenen met het christendom. 
Schleiermacher had religie beschreven als het gevoel van absolute afhankelijkheid. Hier is Rudolf Otto het dan weer niet mee eens, er zijn immers ook gevoelens van afhankelijkheid in wereldse relaties. Wat eigenlijk religieus is, is de ervaring om oog in oog te staan ​​met een almachtige God. Otto noemt deze ervaring 'Kreaturgefühl', het gevoel een schepsel te zijn. Dat zit in de ervaring van een concrete 'geschapenheid', een 'schepsel' dat verwijst naar een object buiten mij.

'Wat hier belangrijk is, is niet alleen het moment van verzinken en het eigen niets in relatie tot een absoluut overweldigend persoon in het algemeen, maar de relatie tot zo'n overweldigend persoon.'

Otto noemt het object dat het gevoel van dit wezen kan opwekken 'het numineuze'. Het numineuze wordt het sleutelbegrip in Otto's godsdiensttheorie. Het duidt het heilige aan, maar zonder de ethische, morele of zelfs esthetische eigenschappen die we in het dagelijks leven aan het heilige toeschrijven. 

Later voegt hij daar nog aan toe:
'Het heilige minus zijn morele moment en, zoals we nu zullen toevoegen, minus zijn rationele moment in het algemeen.'

Met andere woorden: religie is irrationeel, of op zijn minst een vermenging van het rationele met het irrationele. Het gaat om de ervaring met het totaal andere, het goddelijke, het ultieme, dat aan alle conceptualisering en alle cognitie ontsnapt. Volgens Otto is het numineuze daarmee de eigenlijke kern van alle religie. Dit betekent dat het beslissende aan religies niet hun individuele leringen, tradities en gebruiken zijn, maar hun emotionele verwijzing naar het numineuze. Het Mysterium Tremendum et fascinans. Zo heeft het Numineuze dan ook meerdere aspecten, Otto spreekt van momenten die er in elke religie bij horen. Het ene moment is het al genoemde schepselgevoel. Een ander is het gevoel van huivering. Awe. Zie het gedicht The Tyger
Maar het fascineert ook, trekt op de een of andere manier aan. 

Conclusie: 
Het mooie van het boek van Otto vind ik ook, dat God geen 'lieve God' voor hem is. Het huiveringwekkende, het ontzagwekkende, is juist, dat wij God niet kunnen begrijpen. Er zit een grote mate van irrationaliteit in het religieuze. God is beter te beschrijven in termen van alles wat Hij niet is, de opvatting die terug te vinden is in de via negativa. 
De grootsheid vind ik prachtig beschreven, ook bij voorbeeld in de bijbelcitaten. Het geloof van Job bij voorbeeld, is bij uitstek irrationeel. 
Job en zijn vrienden, 1869.
Ilja Repin 1844 – 1930.