zondag 12 oktober 2014

Canto Ostinato, Simeon ten Holt, uitgevoerd door Sandra en Jeroen van Veen, zondag 12/110/14 Purmaryn Purmerend

Ten Holt (1923 - 2012), een Nederlands componist, componeerde Canto Ostinato tussen 1973 en 1976. De naam wordt vaak vertaald als Koppig Lied, maar dat is feitelijk onjuist: de muzikale term ostinato betekent kort muzikaal motief.
Wij hebben de cd's al enige jaren in de kast staan. En met genoegen beluisterd. Broer Frans had de cassette met 3 cd's ooit gekregen van een zakenrelatie, en Frans zag er zelf niets in. Ton kende het werk toen al, en was helemaal verguld toen hij het meteen mee naar huis mocht nemen.
Minimalistische muziek: steeds wordt hetzelfde thema herhaald, en gaat heel geleidelijk over in een ander.
De muziek werd naar mijn gevoel pas echt een hype met de dood van Ten Holt in 2012. Overal hoorde je het bekende motief, de Verlosser was weer eens op aarde neergedaald. Zó heb ik het zelf trouwens nooit ervaren, maar ik ken anderen die er wel zo over dachten.
Vandaag werd er een ligconcert uitgevoerd in de Purmaryn. Liefhebbers konden voor een speciale prijs op hun matje en onder hun deken op het podium liggen, en zo van heel dichtbij genieten van de uitvoering. De pianisten, het echtpaar Sandra en Jeroen van Veen, doen deze vorm van optreden al sinds 2012.
Het werd een heuse voddenbaal, daar half in het donker op het podium. Het leidde me wat af van de muziek, waar ik me natuurlijk gemakkelijk aan kon onttrekken door mijn ogen te sluiten; en dat deed ik dan ook. Maar dan miste ik het lichtspel, want tegelijk met het pianospel was er licht, niet echt een licht-show, maar zeg maar een soort 'ambi-light'. Waar Philips ooit tv's mee trachtte te verkopen. Dus de liggende mens lag beurtelings in het zwart, geel, groen, bauw of rood.
Dat rood - als ik me maar weer op het scherm achterop het toneel concentreerde - viel samen met een mooie volle pianoklank: dat wat we bij het zingen de borststem noemen. Dat vond ik lekker klinken, en passen bij dat rood. Toen ik dat doorhad wachtte ik op nog meer rood. Maar dat kwam toen niet meer.
Simeon ten Holt
Ik ben nooit een echte fan van Ten Holt geweest. Misschien is het muziek die je meer met het verstand dan met het gevoel beluistert. Het viel me wel op, dat ik niet afdwaalde met mijn gedachten, zoals ik eerlijk gezegd wel doe met welk ander concert dan ook. (Niet goed, weet ik wel, maar het gebeurt!) Niet zo bij Ten Holt: dreigde ik weg te dromen, dan riep enige minimale verandering in de muziek me vanzelf weer bij de les.
Ik zelf zou nooit op het ;podium gaan liggen. Ik zag mensen met hun arm over elkaar heen. Nog net geen lepeltjes-houding. Ik denk dan toch dat ik een beetje slaapkamergewoonten zie. Of ik zie dat mensen het niet volhouden, zo lang stil liggen. En gaan woelen, hun dekentje herschikken, zich omdraaien, even rechtop gaan zitten. Misschien in lotushouding gaan zitten, of op hun buik gaan liggen met de handen onder de kin, ogenrichting pianisten. Of lui die het juist de volle anderhalf uur lang roerloos wél volhouden. En terwijl die canto maar verder timmert of tikt of vloeit, en de ambi-lichtshow idem dito, liggen zij aan het einde nog altijd net zo als ze begonnen aan het begin.
Ik voor mij, ik val in mijn stoel niet in slaap, maar ik gaap wel veel. Mijn aandacht houd ik  ook wat bij mijn zakdoek die ik bij de hand houd voor die verkoudheid die me hindert maar toch niet echt doorbreekt. En ik houd in de gaten of de tijd vliegt of juist niet.
Foto die ongeveer weergeeft zoals het er vanmiddag uitzag: de pianisten in het wit, de liggers eromheen, in de kleuren van het podium.
Zo was het ongeveer. Naast me had ik een echte fan, die wel oprecht genoten heeft. Die verrukt was van een akkoord dat 'niet oploste'. Die zag hoe de pianisten elkaar knikjes gaven om aan te geven dat het motief moest veranderen. (Klopt. Dat zag ik ook elke keer. Na het knikje gingen ze nog enkele maten door, en dan kwam de verandering.) Die tevreden was over dit concert. Wat ik in alle eerlijkheid niet beamen kon. Ik vond het toch een beetje een mode-ding.
Heel druk was het niet, in de Purmaryn. Op het podium schat ik 30 à 35 mensen; in de (grote) zaal was alleen de helft van de helft bezet: 60, 75 mensen? 
De juffrouw had bij het binnenkomen zelfs onze kaarten niet gecontroleerd.  

dinsdag 7 oktober 2014

Black Venus, Abdellatif Kechiche, 2010

 
Hoes 
Black Venus heb ik met walging en afschuw bekeken. Niet dat het een slechte film is: integendeel.
Maar het onderwerp is zo gruwelijk, dat het me moeite kostte de hele film uit te zitten.
De film gaat over een 25-jarige Hottentot-vrouw (we zeggen nu : uit de stam van de Khoikhoi) die naar Engeland is gehaald, om daar als kermisattractie te worden tentoongesteld. Eigenlijk bestaat bijna de gehele film over haar ervaringen als 'ding', of het nu kermisattractie, hoer, of wetenschappelijk object is.
De film begint met een college over andere rassen. We zien dan een beeld van een zwarte vrouw, met opvallend dikke billen. De professor laat een fles met de schaamlippen-op-sterk-water van deze vrouw rondgaan. De studenten kijken zeer geïntersseerd.
Dan volgt het leven van Sarah Baartman, maar eigenlijk alleen bekeken vanaf de kant hoe ze werd tentoongesteld. Het is dat wat de film zo gruwelijk maakt.
Volgen daar nu foto's van:

Ik spring een beetje van de hak op de tak met mijn foto's: dit is Saartjes tweede exploiteur. Hij slaapt met haar, en brengt haar in 'de hoogste kringen' in Parijs. Daar wordt ze nog erger vernederd dan toen ze als wild beest in een kooi zat. 
En deze heren vormen de verschrikkelijkste kerels: de wetenschappers die uit zijn op het 'wetenschappelijk onderzoek', Saartje van top tot teen meten - vooral de schaamlippen!- en met die metingen bewijzen dat ze van een inferieur ras is. 
Handjeklap tussen de eerste twee eigenaars. Vreselijk goed gecast, deze kerels die alleen op eigenbelang uit zijn. 
Soms kan Saar het niet laten, en laat ze iets echts moois zien: zo kan ze dansen, en zo ook viool spelen. 
De vreselijke wetenschapper, met wie de film begint en eindigt. 
Met drank en roken houdt Saar zich op de been. 
Alleen een dun tricot aan. Aan het eind van de show mag het publiek haar aanraken. Dat loopt altijd op knijpen uit. 
In een rechtszaak ontkent ze dat ze pijn lijdt. Ze houdt voor waar dat ze haar geld zal krijgen van haar 'baas', daarom liegt ze. 
Close up, van deze prachtige hoofdrolspeelster, Yahima Torres
Sarah sterft jong, en haar stoffelijke resten worden dan alsnog naar het Museum voor Volkenkunde gebracht in Parijs. Voor veel geld natuurlijk voor haar 'meesters.' Meedogenloos wordt ze daar bekeken en met het mes ontleed. (Bij haar leven wist ze in elk geval met een prachtige lendendoek het onderzoek van haar vagina van zich af te houden. Als dode is ze weerloos.) Zo eindigt de film waarmee hij begon.
Bij de aftiteling zien we ten slotte, hoe de resten van Sarah rond 1998 teruggehaald werden uit Parijs, en naar Zuid-Afrika gebracht, waar ze alsnog plechtig en met eerbied werd begraven. Authentieke beelden.
De regisseur, Abedellatif Kechiche 
Hier de hoofdrolspeelster als zichzelf. Gelukkig heel wat vrolijker!
Trailer

Het vuur - Henri Barbusse, 1916

Ik maak me er hier in dit blog nooit van af met knip- of plakwerk van andere internet-sites. Ik geef mijn eigen verslag, en pretendeer daarbij niet een echte samenvatting te geven.
Voor dat knippen en plakken maak ik een uitzondering voor het boek van Henri Barbusse, Le Feu, vertaald als Het Vuur.
Ook dit boek heb ik al een tijd geleden gelezen - allemaal toen de indrukken die ik opdeed in Yper nog vers waren - toen ik nog geen blog bijhield. Inmiddels is de Eerste Wereldoorlog aan zijn 100e 'verjaardag' toe, en staat hij opnieuw in de belangstelling. Ik heb inmiddels weer het nodige herlezen, en met Het Vuur gaat dat ook nog wel gebeuren. Maar nu nog even niet, er liggen nog te veel andere boeken en films.
Wel heb ik mijn eigen herinneringen aan het boek weer opgefrist. Ik heb zelf een Franse uitgave, en er bestaat een goede Nederlandse vertaling.
Loopgraaf, Tranche.
Het bijzondere van deze Franse roman is, dat hij in tegenstelling tot de Engelse Graves en Sassoon geschreven is door een 'gewoon' iemand. De Engelsen waren officieren, in Le Feu spreekt jan Soldaat. Dat is ook precies wat het boek lastig maakt, want er bestond een heuse loopgraventaal onder de soldaten. Het was voor iemand met alleen middelbare school-Frans niet te begrijpen. Intussen heeft Barbusse juist daardoor veel invloed gehad, onder andere op Celine. Zijn Reis naar het einde van de nacht begint in de Eerste Wereldoorlog, en Céline zegt er zelf over, dat hij probeert om te vinden un autre language qui aurait été chargé d'émotion immédiate, transmissible mot par mot, comme dans le language parlé. Barbusse inspireerde hem zeer.
 
In de Franse uitgave stond ook een weergave van een triptiek van Otto Dix (1891-1969).
La Guerre, triptyque avec prédelle, 1929-1932
Musée des Beaux Arts. Dresde.
Er worden behartenswaardige dingen verteld over dit schilderij, in samenhang met het boek van Barbusse. Twee dingen zijn me daarvan bijgebleven:
Opvallend is dat de oorlog vereeuwigd wordt in wat normaal een altaarstuk is. Is er een duidelijker beeld denkbaar van 'God is dood'?
Het tweede gaat om de kleur. In Barbusse schrik je van de hoeveelheid regen en modder. Het is of die schilderij in juist die kleuren gesteld is. Houd daarbij in gedachten, dat vóór de Eerste wereldoorlog er een ratjetoe aan kleuren was in de uniformen van de soldaten, prachtig rood, blauw... De schutkleuren waren nodig, en zijn sindsdien ook niet meer verdwenen.
Ten slotte merk ik nog op, dat de laatste bladzijden, waarin de soldaten haast letterlijk overspoeld worden als door een zondvloed, me altijd bij zijn gebleven. Juist in al die grauwheid.
Kortom: een boek die de oorlog harder beschrijft dan enig ander. Rauw.
 
Volgt hier het citaat, geplukt van Internet, uit de NRC:

Onthoofd als een eitje

Verslag uit de loopgraven van Henri Barbusse

Wie de loopgraven niet heeft meegemaakt, kan niet met recht over de oorlog spreken, vond Henri Barbusse. Zijn roman `Het vuur' beschrijft de gruwelen van de frontsoldaten in de Eerste Wereldoorlog. Die was voor Barbusse ook een persoonlijke loutering.
Henri Barbusse: Het vuur. Dagboek van een escouade. Vertaald door Mechtild Claessens.De Arbeiderspers. 427 blz. ƒ49,95Oorlog
`Een verachtelijk, laag en verslappend boek', oordeelde de rechtse nationalist Léon Daudet over Le feu (Journal d'un escouade) van Henri Barbusse (1873-1935), `een boek dat alleen de vijand kan dienen'. Maar het lukte hem niet zijn mede-juryleden te overtuigen, want in 1917 werd Barbusse's oorlogsroman (het jaar tevoren gepubliceerd als feuilleton en daarna als boek) bekroond met de Prix Goncourt. Bij het publiek was het succes zo mogelijk nog groter, eind 1918 bleken er al een kwart miljoen exemplaren van te zijn verkocht.
Toch verstomden de protesten niet. Zo was er in hetzelfde jaar 1918 een Frans officier, op officiële missie in de Verenigde Staten, die het Amerikaanse publiek meende te moeten waarschuwen tegen de valse voorstelling van de oorlog in Barbusse's roman. De schrijver reageerde verontwaardigd. Waar haalde deze officier zijn kennis vandaan? `Bent U eenvoudig soldaat in de loopgraven geweest?' vroeg hij per open brief, `Nee? Spreek dan niet over dat wat U niet kent'.
Barbusse zelf had wèl recht van spreken. In de zomer van 1914 had hij zich – 41 jaar oud – als oorlogsvrijwilliger gemeld, om vervolgens anderhalf jaar het lot van de gewone frontsoldaten te delen. Wat er in zijn boek stond had hij zelf gezien of uit betrouwbare bron vernomen. Voor het eerst kwamen die gewone frontsoldaten, via zíjn empathische pen, aan het woord om hun kijk op de oorlog te geven. De officier daarentegen vertegenwoordigde de officiële propaganda, die er alles aan gelegen was om de oorlog mooier voor te stellen dan zij in werkelijkheid was.
Teneinde deze `leugens' te ontzenuwen had Barbusse Le feu geschreven. De propaganda, gehaat door de soldaten die wel beter wisten, vergrootte de kloof tussen front en thuisfront, die Barbusse juist had willen dichten. De waarheid was daarom niet een `gif' dat het moreel van de troepen verzwakte. Eerder het tegendeel: pas nu werden de ogen van het publiek geopend voor de werkelijkheid van het front en voor de heroïek van de poilus, die ondanks alle ellende dapper hun plicht bleven doen.
Details
In tal van losse episodes vertelt Barbusse over de lotgevallen van zijn `escouade' (te vertalen met compagnie of peloton), gelegerd aan het westfront dat sinds september 1914 was verstard tot een uitzichtloze loopgravenoorlog. Rooskleurig is zijn vertelling inderdaad allerminst. Het mechanische geweld, het massale sterven, de regen, de modder, de kou, de afstomping en de verwarring van de simpele infanteristen komen er haarscherp in tot uitdrukking, vaak met gruwelijke details.
Zo bijvoorbeeld treffen Barbusse en zijn kompanen een veroverde Duitse loopgraaf aan: `Een feldwebel zit tegen de uiteengereten planken geleund die een luisterpost vormden op de plek waar we onze voeten zetten. Er zit een gaatje onder zijn oog: een bajonetsteek heeft hem met zijn gezicht tegen aan de planken vastgepind. Vóór hem zit nog een man, met de ellebogen op de knieën, de vuisten tegen de hals; de hele bovenkant van zijn schedel is er afgeslagen als bij een zachtgekookt ei... Naast hen beiden staat, als een afschuwelijke wachter, een halve man: hij is doorgesneden, van de schedel tot het bekken in tweeën gehakt, en leunt rechtop tegen de aarden wand'.
Maar de Franse gesneuvelden worden in de beschrijvingen evenmin gespaard. In hetzelfde hoofdstuk ziet Barbusse een hoofd op de grond staan, `een bloedeloos en vochtig hoofd met een zware baard'. En dan lezen we: `Het is iemand van ons: de helm ligt ernaast. De opgezwollen oogleden laten iets van het doffe glazuur van zijn ogen zien en in de donkere baard glimt een lip als een slak. Waarschijnlijk is hij in een granaattrechter gevallen die door een andere granaat weer dicht is gegooid; zo is hij tot de hals begraven...'
Zulke passages schokten de lezers, al zullen ze niet weinig hebben bijgedragen aan het succes van het boek. Barbusse beschikte, net als zijn grote voorbeeld Zola, over het vermogen de werkelijkheid ongewoon beeldend op te roepen, waardoor je nog altijd het gevoel krijgt: ja, zo en niets anders moet het geweest zijn.
Een soortgelijk realisme kleurt de vele weergegeven gesprekken tussen de soldaten. In het korte poëticale hoofdstuk `Krachttermen' wordt het expliciet aan de orde gesteld. Wanneer een soldaat Barbusse aantekeningen ziet maken, vraagt hij: `Als je in je boek de gewone soldaten laat praten, laat je ze dan praten zoals ze praten of kalefater je 't stiekempjes wat op?' Barbusse belooft al hun krachttermen `op de plaatsen te zetten waar ze horen', en hij heeft woord gehouden. Met als gevolg een authentiek aandoende rauwheid van dictie, doorspekt met argot, die later navolging zou vinden bij Céline, zijn leven lang een vurig bewonderaar van Barbusse.
In de nu als deel vier van de fraaie reeks `Oorlogsdomein' verschenen nieuwe vertaling van Le feu (de eerste stamt al uit 1918) heeft Mechtild Claessens deze onopgesmukte spreektaal ietwat afgezwakt. De soms fonetisch gespelde uitspraken, voorzien van veel apostrofs, laten zich nu eenmaal moeilijk in het Nederlands weergeven zonder lachwekkend te worden. `I'zyeutait l'ciel' wordt daarom `z'n ogen naar de hemel' of `J'te dis, moi, qui veul'tent not'peau' wordt `Ik zal je 'ns wat zeggen, ze willen ons kapot hebben'. Helemaal hetzelfde is het niet, maar rauw en realistisch blijft de tekst ook in deze verder uitstekende vertaling, behalve daar waar de schrijver zelf het realisme achter zich laat. Want ook al was zijn roman naar eigen zeggen `un livre de vérité', de waarheid mocht niet beperkt blijven tot enkel literair realisme. Barbusse blijkt in Le feu tevens een visionaire dichter met een politieke boodschap, en de lezer krijgt niet veel kans die boodschap over het hoofd te zien.
Sanatorium
De visionaire dimensie dient zich al meteen aan in het eerste hoofdstuk, waar hoog in de Alpen een groepje onthechte sanatorium-patiënten (vergelijkbaar met de personages in Thomas Manns Der Zauberberg uit 1924) reageert op het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Bij voorbaat `zien' zij de komende loopgravenstrijd, compleet met soldaten als `monsterlijke schipbreukelingen' en een aarde die veranderd wordt in een `druipende vlakte, doorploegd met lange evenwijdige kanalen, uitgehold door gaten vol water'. Over de soldaten lezen we dat zij `hun menselijk gelaat [opheffen], waarin eindelijk een wil ontkiemt'.
Vrijwel hetzelfde tafereel keert terug in het laatste hoofdstuk, wanneer Barbusse en enkele soldaten (Fransen én Duitsers) verzeild raken in het doorregende nachtelijke niemandsland en daar de dageraad afwachten. Het is alsof de Zondvloed is losgebarsten, alles staat onder water en even lijkt het `vuur' van de oorlog gedoofd. Onder deze uitzonderlijke en zeer symbolische omstandigheden vinden de soldaten voor het eerst de passende woorden voor wat hen overkomt. De werkelijkheid van de oorlog is nauwelijks voorstelbaar voor wie het niet heeft meegemaakt, menen zij, en wie het wel heeft meegemaakt, vergeet het bijna meteen weer.
Toch is het van belang het vergeten tegen te gaan, want, zoals een van hen zegt: `Als ze 't zich zouden herinneren [...] dan zou er geen oorlog meer zijn'. Overal op het doorweekte slagveld klinkt opeens de kreet: `Geen oorlog meer, geen oorlog meer'. Waarna Barbusse, als een verlossing brengende profeet, uitlegt wat daarvoor noodzakelijk is: gerechtigheid oftewel gelijkheid. Aan de oorlog kon pas definitief een eind komen als de strijd veranderde in een sociale revolutie, een voortzetting en in zekere zin ook een complement van de Franse Revolutie.
Met bijna dezelfde intentie was Barbusse in 1914 de oorlog ingegaan, als een typisch Franse republikein voor wie humanisme en patriottisme twee zijden van dezelfde medaille vormen. De ervaringen in de loopgraven, waar hij voor het eerst van nabij kennismaakte met het gewone volk, zorgden echter voor een niet onbelangrijke verschuiving. Barbusse verloor zijn laatste resten pessimisme (nog dominant in zijn eerste roman L'enfer uit 1907) en verwachtte het heil sindsdien alleen van een internationale proletarische revolutie. Wat dit betreft bleek de oorlog, behalve voor de mensheid, ook voor hem persoonlijk een zinvolle loutering.
Binnen de groep Clarté, die Barbusse in 1919 met enkele geestverwanten oprichtte en die als een `Internationale van de geest' de `Internationale der volkeren' zou moeten gidsen, meende hij dat die revolutie zonder geweld kon plaatsvinden. Naarmate hij meer sympathie kreeg voor het Russische bolsjewisme, verminderde zijn pacifistische gezindheid, om tenslotte geheel te verdwijnen. In 1923 trad hij toe tot de Franse Communistische Partij en werd – in de dankbare woorden van `volkscommissaris' Loenatsjarski – niet zomaar `een sympathieke meeloper, maar onze vriend, kameraad en medestrijder'.
Stalin
Dat was geen woord te veel gezegd. Barbusse ontpopte zich als een loyaal partijganger, die zich gewillig liet gebruiken als intellectueel boegbeeld van de partij. Alle koerswijzigingen binnen het internationale communisme volgde hij zonder noemenswaardige kritiek, hetgeen door niets beter wordt onderstreept dan door zijn laatste, vlak vóór zijn dood in 1935 gepubliceerde boek: een hagiografie van Stalin.
In Le feu kondigt deze ontwikkeling zich slechts aan. Daardoor is de roman ook voor niet-communisten (en dat is tegenwoordig bijna iedereen) nog altijd zeer de moeite waard. Niet zozeer vanwege de politieke boodschap, die er met apocalyptisch pathos wordt ingehamerd, als wel vanwege de realistische evocatie van het meedogenloze frontleven en de liefdevolle aandacht voor de gewone soldaten, die Barbusse in een reeks van even kleurrijke als aandoenlijke verhalen aan de anonimiteit van regen, modder en geweld heeft weten te ontrukken.
 

 
Henri Barbusse lui-même
 
 

zaterdag 4 oktober 2014

Elizabeth, 1998, Shekhar Kapur.

Hoes
Ook deze film was weer een feest om terug te zien. Die prachtige Kate Blanchet - die ik trouwens voortdurend verwarde met Kate Winslet! Ik zat maar naar de overeenkomst te zoeken in hun gezichten - die die rol van koningin zo geweldig vertolkte. Eerst als vrolijke jonge vrouw, nog vol liefde en verwachting over haar leven met Robert Dudley, haar enige echte, vertrouwde vriend. 'Play a volta!' roept ze twee keer in de film. De eerste keer is alles nog goed met haar en hem, ze deelt met hem.  De tweede keer is ze door hem verraden - hij blijkt al getrouwd te zijn - en diezelfde dans is nu pijnlijk en afstandelijk. Hij bezegelt de breuk tussen de twee.
De film verhaalt van het begin van haar regeringsperiode. Haar halfzus Maria - katholiek - is gestorven, de protestantse Elizabeth neemt het roer over. Al haar raadgevers fluisteren in wat ze moet doen. Het erge voor haar is, dat er oorlog komt, wat ze ook doet. Volgens haar raadgevers moet ze trouwen, hetzij met de Spaanse koning, hetzij met de hertog van Anjou. De eerste zal ze nooit zien, de tweede is een losbol. Maar zo'n huwelijk zal wel de troon veilig stellen.
De enige op wie ze zich dan blijkt te kunnen richten is Francis Walsingham (Geoffrey Rush), een harde man, maar wel met inzicht. Via hem laat Elizabeth al haar tegenstanders - de katholieken - uit de weg ruimen. Ze is nu al haar jeugd en onbezorgdheid kwijt. Ze laat zich bijna kaal knippen, blanket haar gezicht, is nog steeds mooi, maar ziet er afstandelijk en koud uit. Ze is nu getrouwd met het Engelse volk.
Portret van de echte Elizabeth 
Onder de zorgen van de politiek 
Hier nog de vreugde met de Earl of Leicester (Anna Bosboom Toussaint schreef een boek over hem met als titel: De Graaf van Leicester)  



Walsingham 
 
IJzig, verdrietig.  
Trailer
De regisseur, uit India
Documentaire over het leven van Elizabeth I

vrijdag 3 oktober 2014

The Sheltering Sky - Bertolucci, 1990

Hoes
Ik vond het echt een buitenkansje om The Sheltering Sky nog eens terug te zien. Ik geloof dat ik hem in het verleden al twee keer gezien had, en ook het boek van Paul Bowles heb ik twee keer gelezen. Ik was er toen zeer van onder de indruk, en dat was nu bij het terug-zien helemaal niet over. Integendeel!
Ik vond nog steeds het gedeelte over de ziekte en dood van Porter, gespeeld door een jonge Malkovich zeer indrukwekkend. Maar ook Debrah Winger imponeerde. En wat me deze keer méér dan de vorige keren opviel, was het prachtige filmwerk van Bertolucci. Zulke schitterende beelden van Marokko, met de Sahara, de straat, de kamelen, het zand, de vliegen, de armoede, de prachtige Touareqs.... Je waant je in het land zelf.
De beelden en het geheel ervan roepen ook associaties op met The Last Emperor: duidelijk van de hand van dezelfde maker. Met een totaal andere inhoud, maar het massale in scene brengen van een andere cultuur met prachtige en weidse beelden, dat is Bertolucci wel toevertrouwd.
(Ik zag trouwens ook bij het naspeuren dat Bertolucci The Last Tango in Paris heeft gemaakt. Dat is dan weer van een ander kaliber.)
Deze film verhaalt van drie reizigers, Port, Kit en Tunner. Ze noemen zich reizigers, geen toeristen. Ze reizen door de Sahara, volgen een lustig en rijk leventje. De verhouding tussen de drie komt aan de orde, de ontrouw, de jaloezie; het feit dat ze niets tegen elkaar uitspreken van wat hen werkelijk bezig houdt.
Maar dan wordt Porter ziek. Ze zijn al diep het land binnengedrongen, en Kit ziet zich geplaatst voor de verlatenheid, van te zitten met een stervende man, en er is geen hulp voorhanden.
Port sterft, Tunner is dan trouwens ver weg.
Kit trekt mee met een stelletje nomaden. Ze wordt de geliefde van een hoofdman, wat eenmaal in hun thuisbasis aangekomen leidt tot jaloezie bij de al bestaande vrouwen.
Kit verdwaalt, en wordt opgevangen door iemand van de ambassade.
Ze keert terug naar het station waarmee de film ook bijna begon, waar hun reis ook een aanvang nam. Daar zit weer de oude man, Paul Bowles zelf. Ze erkent dat ze verdwaalt is. Bowles zegt een wijs woord over jonge mensen die niet weten, en er geen rekening mee houden dat ze sterfelijk zijn.
Malkovich en Debrah Winger 
Opnieuw 
Winger bij de Touareqs  
In wanhoop bij de aan tyfus lijdende echtgenoot 
Het begin- en eindstation 
Tunner, geliefde en reisgenoot 
Paul Bowles. Leefde zelf zijn leven lang in Marokko
Tunner bij het graf van Port.  
Hier nog volop jeugd, Campbell Scott als Tunner
Hier begint de ziekte zich al te openbaren: Porter heeft het maar koud.
Trailer

Blood Simple, Joel and Ethan Coen, 1984

Hoes
Een uitstekende thriller, deze Blood Simple van de Gebroeders Coen. Met dezelfde hoofdrolspeelster als in Fargo, Frances MacDormand, Alleen is ze hier een stuk jonger. Ze is Joel Coens vrouw.
Het verhaal:
Een rijke man, Julian Marty, laat zijn vrouw Abby  en zijn medewerker Ray schaduwen door Loren Visser, privé-detective. Als blijkt dat ze een affaire hebben, geeft hij de detective opdracht het stel uit de weg te ruimen.
De akelige detective, die met geen misdaad meer of minder in zijn maag zit.
Loren doet alsof hij dat doet, hij geeft een stel foto's van het stel, slapende, en bewerkt met heuse moordeffecten. Hij vermoordt Marty, maar van zijn foto's ligt er nu één in Marty's kluis. Ook zijn aansteker ligt nog op tafel bij de dode..
Ray vindt Marty, maar ook de revolver van zijn geliefde, en dus verdenkt hij háár van de moord. Hij neemt de dode mee op sleeptouw. Die dode blijkt echter niet dood! We zien Ray worstelen met zichzelf. Uiteindelijk begraaft hij Marty levend, dat is het enige dat hij durft.
Het nachtelijk veld...
.... waar de stervende Marty toch nog voortkruipt
....maar hier ligt hij toch nu toch begraven
.... door deze brave man, die zijn geliefde wil vrijwaren, die hij zelf verdenkt .
Hij keert terug naar Abby. Die snapt er niks van, helemaal niet als Ray voor haar ogen wordt neergeschoten. Dan beseft ze pas dat ze echt in gevaar is. De immorele detective bedreigt ook haar. Zij weet hem slim te pakken: ze is verstopt in een soort tussenruimte; hij komt buitenom door het raam met zijn hand. Zij doorspiest hem met een dolk.
Die rotzak kan geen kant meer op. Voor hoe lang?
Ten slotte lukt het haar hem neer te schieten, dwars door het dunne wandje heen. Ze weet dan nog altijd niet wie ze doodt, ze roept iets tegen Marty, ze denkt dat hij het is.
De stervende detective laat een akelige lach horen, waarmee  de film ten einde is.
de griezel
... tegenover de onschuldige angst
....die gelukkig zegeviert.

Trailer
 
Ik vond dit nog over de titel:
 
The film's title derives from the Dashiell Hammett novel Red Harvest (1929), in which the term "blood simple" describes the addled, fearful mindset of people after a prolonged immersion in violent situations.
 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

donderdag 2 oktober 2014

Senia-boekbespreking: De Vergelding, Jan Brokken. Dinsdag 29 september 2014.

Gisteren voor het eerst sinds de zomervakantie weer bijeen gekomen met ons historisch leesgroepje om De Vergelding te bespreken.
Het was al snel duidelijk dat dit boek niet aan onze groep besteed was. De meesten van ons vonden het 'geen echt historisch boek'. Er zou te veel een detective van zijn gemaakt, de auteur sprak zijn eigen gedachten overal op nieuwe plaatsen weer tegen, het was 'niks', 'geen vlees noch vis', men 'kon er niets mee'. Iemand van ons kan er niet tegen, als een auteur zich voorstelt wat een personage voelt of denkt. 'Dat kan niet,' 'hoe kan je dat nou weten'. 'Niet historisch.' En zo kon eigenlijk de hele zoektocht van Jan Brokken ons niet echt boeien.
Dergelijke bijeenkomsten hebben groot nut.
Ik voor mij, ik had het boek twee keer gelezen, omdat er zoveel namen in voorkwamen. In mijn blog  De Vergelding had ik er daarom een flink aantal genoemd. Om weer terug te kunnen halen.
Helaas hielp het mij niet de sfeer van het boek weer terug te brengen in mijn hoofd.
Dat was anders met het gesprek met elkaar:
Ook al vonden de meesten het niks, we haalden het boek toch al pratende met elkaar weer 'binnen  boord'. Ik wist weer waarover het ging - zij het niet in alle details, maar dat hoeft ook niet.
Ook het tegen elkaar botsen van onze verschillende meningen - want ik vond het wél een goed boek - helpt heel erg om je eigen plaats te bepalen.
En de meesten hebben het wel zo goed gelezen, dat er weer van alles terugkomt in je geest: 'Oh ja, dit,' en 'oh ja, dat'.
Ik heb nog nagekeken of er bij de recensies ook eentje zat die overeen kwam met wat onze groep voelde. Dat was niet het geval. Stuk voor stuk staken ze de loftrompet over dit boek. De mooiste recensie stond wat mij betreft hier, zie de recensie in Contrabas . Iemand die het boek eigenlijk het volgen van een proces vond in het hoofd van Brokken. Deze man of vrouw zei hiermee iets wat het dichtst in de buurt kwam bij wat ik zelf vond.
We vinden met elkaar de vragen van Senia niet altijd even geweldig. Ik heb er soms ook weer wel begrip voor (bijvoorbeeld bij een vraag als of je vindt dat Brokken overtuigend overkwam). Andere keren zou ik het antwoord echt niet weten, en dan denk ik 'die vragen bedenken kunnen we zelf ook wel!'
Ik was het niet in alles met mijn leesgenoten eens. Wel vind ik Brokken soms te lang doorgaan met zijn gepluis en zijn dingen naar boven halen. Baltische Zielen, maar vooral In het huis van de dichter gingen mij te lang door.
Maar geweldig blijft hij voor mij. Een integere, zoekende man. Waar vind je die nou nog. :-)