donderdag 27 augustus 2026

Excursie Groninger Kerken - HOVO, Saskia van Lier, augustus 2026

Aan het begin eerst maar een overzicht van de bezochte kerken en hun plaats op de kaart: 
We bezochten de kerken te Middelstum, Loppersum, Westerwijtwerd, Leermens en Garmerwolde.
Kerk 1, buitenzijde
Hippolytuskerk Middelstum
kruiskerk, 15e eeuws, laatgotisch bakstenen kerk.

Kerk 1, altaar
Ligging Middelstum
Kerk 2: Petrus en Pauluskerk Loppersum
Ligging Loppersum
Kerk 3: Westerwijtwerd
Ligging Westerwijtwerd
Kerk 4: Leermens; foto geeft heel mooi weer hoe prachtig (enhoog) hij ligt in het landschap.
Ligging Leermens
Kerk 5: Garmerwolde
5: Kerk Garmerwolde; met losstaande toren aan de weg:
De kerk compleet met toren + reisgezelschap
Ligging Garmerwolde
Het was niet de eerste keer dat wij de mooie, middeleeuwse kerkjes in Groningen bezochten. In 2018 waren we daar, eerst met de auto, toen met de fiets. Ik schreef er een blog over: zie deze link.
Nu, acht jaar later, zijn onze omstandigheden heel erg veranderd. Mijn man is rechtszijdig verlamd en heeft afasie. Uitstapjes als die in 2018 kunnen wij niet meer maken. 
Maar geen nood: de HOVO biedt al jaren excursies aan naar de Groninger kerken, en met dit cursusaanbod zagen we wél een mogelijkheid om nog eens in ons geliefde Groningen te komen. De maandag hadden we een college over het onderwerp, de donderdag reisden we vanaf de VU met een touringcar naar Groningen. 
Docente en gids Saskia van Lier
Eerst iets over het college op de maandag voorafgaand aan de excursie: 
Saskia vertelde heel veel. De kerkjes in Groningen stammen vanaf de tijd dat Groningen gekerstend werd. Dat was voornamelijk het werk van Liudger. Liudger was de opvolger van Bonifacius, die in Dokkum vermoord werd (rond 754).
Schoolplaat: Liudger predikt in de Groninger Gouwen. 785. - ca. 1932
Liudger werd later bisschop van Münster. Hij leefde van 742-809; hij werd ook 'de voltooier' genoemd, omdat hij het werk afmaakte dat Bonifatius begonnen was. 
De Groninger Ommelanden vielen onder het bisdom Münster.
Terzijde: het was ook nog wel even leuk vast te stellen dat delen van Groningen nóg vroeger onder Friesland resorteerden. 
Kaart van Fivelingo
Net als Hunsingo was Fivelingo (Fivelgo) van oorsprong een Friese gouw. In de 15e eeuw werd het een van de Groninger Ommelanden.
Het waren dus van oorsprong katholieke kerken, maar na de Beeldenstorm (die overigens in
Groningen niet zo erg heeft huisgehouden) werden ze allemaal protestants. 
De kloosters speelden een grote rol bij de bouw van de kerken. En niet alleen bij de bouw van de kerken: ook voor de Groninger infrastructuur. Daar het land vooral kwelderlandschap was, legden de monniken wegen aan van wierde naar wierde. Een wierde is hetzelfde als een terp, hoewel terp een verkeerde benaming is - aldus Saskia. 
Wierde; hier met boerderij. De kerken lagen oorspronkelijk op wierden waarop het hele dorp gebouwd stond. De huizen rondom de kerk zijn in de loop der tijden door oorlogen verwoest, de kerken staan er nog wel. 
'Esinge in 't Westerkwartier van Groeningen' aquarel door Aart Schouman, 1772
Vast een heel mooi boek, als je, zoals ik, getroffen bent door de schoonheid van dat landschap. Gebied ideaal om door te fietsen!
De Groninger kerkjes zijn te verdelen in romaanse, romano-gothische en gothische kerkjes. 
Van de bouwstijl is vooral de gebruikte steensoort opmerkelijk. Eerst werd er tufsteen gebruikt, grijze steen die uit Duitsland (voornamelijk de Eifel) gehaald werd. 
Later werden er grote, grove bakstenen gebakken door de kloosters, de zogenaamde kloostermoppen. Gebakken van klein. Met die stenen werd van alles gedaan om de muren en torens en vensters te versieren.

Saskia onderscheidde deze periodes in de geschiedenis: 
  • Romaanse tufsteenkerk 1000-1150/75
  • Romaanse baksteenkerk 1175-1200: kloosters bakten de stenen
  • Romanogotiek 1200-1350: belangrijkste; baksteenfeest!
  • Gotiek 1350-1500
Verder twee jaartallen: 
  • 1566 Ommelanden werden protestants
  • 1594 reductie (= reformatie)
Belangrijkste architectonische kenmerken van de romaanse periode:
Massieve muren: De muren zijn extreem dik en zwaar om het gewicht van de stenen constructie te dragen.
Ronde bogen: Dit is het absolute handelsmerk van de romaanse architectuur. Je vindt ze terug boven ramen, deuren en nissen.
Kleine vensters: Vanwege de draagkracht van de muren waren grote ramen onmogelijk. Hierdoor is het interieur vaak mysterieus en donker.
Gesloten indruk: De buitenzijde oogt robuust, bijna als een vesting of burcht.
Apsis: Een halfronde uitbouw aan de oostzijde van de kerk waar het hoofdaltaar stond.

Romaanse tufsteenkerk
Een romaanse tufsteenkerk is een middeleeuws kerkgebouw uit de periode 950 tot 1250, dat kenmerkend is door de zware, sobere architectuur en het gebruik van tufsteen als primair bouwmateriaal. Dit type kerk stamt uit de tijd voordat de baksteen (kloostermop) zijn intrede deed in de Lage Landen. Er werd in de loop der tijden nogal eens wat aangebouwd of verbouwd aan de kerken. Vandaar dat steensoorten en stijlperiodes nogal door elkaar lopen.

Wat is tufsteen?
Tufsteen is een relatief zachte, poreuze en gemakkelijk te bewerken vulkanische natuursteen. In de middeleeuwen werd deze steen op grote schaal gewonnen in de Duitse Eifel en het Zevengebergte. Via de Rijn en de IJssel werd het materiaal naar Nederland verscheept, met name naar distributiecentra zoals Utrecht en Deventer. Vanaf de 13e eeuw verving men tufsteen steeds vaker door de goedkopere, lokaal gebakken baksteen.

Het belangrijkste vond Saskia de romanogotiek.
  • Kenmerken romanogotiek:
  • rijk wandreliëf en - indeling
  • siermetselwerk
  • rechtgesloten koor
  • losstaande toren: ook veel in Denemarken; geen verdedigingswerk, wel soms als gevangenis gebruikt
  • meloengewelven
  • spaarveld: loze ruimte voor raam
  • Oostzijde van de kerk is het belangrijkste: kant van de opkomst van het licht, wijst naar plaats waar Jezus geboren werd; die kant werd het meest versierd;
  • Bouwers werden aangestuurd door de kloosters.
Door elkaar heen: Groninger moppen (kloosters bakten deze grote, onregelmatige bakstenen) en de oudere grijze tufsteen. 
De kerken veranderden nog wel eens in de loop der tijden. Aan de uit-stekende delen links en rechts  kun je nog zien dat daar vroeger een muur stond. 
Nog een keer, totaalplaatje; Garmerwolde, met afgebroken muren voor herbouw. 
De van oorsprong katholieke kerken hadden een altaar, heiligenafbeeldingen et cetera. Maar na de Beeldenstorm stond het altaar niet meer centraal. Het werd veelal afgesloten met een zogenaamd doksaal, of anders door een herenbank. De preekstoel kwam centraal te staan. 
Deel van een doksaal, kerk Leermens. Hier staat het overblijfsel in een hoek, oorspronkelijk was het veel groter en sloot het het hele altaargebeuren af.
Foto: Anton Tiktak, Arte del Norte
Herenbank Middelstum. Hippolytuskerk
We zagen in één van de kerken ook een verrijdbare herenbank. 
Een ander iets was, dat sommige kerken 'geadopteerd' werden door de adel, de zogenaamde adelskerken. De rijke heren staken veel geld in de kerkjes, maar dat betekende wel dat zijzelf erg centraal kwamen te staan. De zogenaamde 'herenbanken', soms rijk versierde banken waarin de adel plaats kon nemen, stonden meestal recht tegenover de preekstoel, zodat zij de beste zegeningen over zich heen kregen. De preekstoel werd ook dank zij hun geld rijk  geornamenteerd. Ook werden er soms prachtige orgels geplaatst. 
Preekstoel Adelskerk Middelstum
Wat van de katholiek periode wel overbleef, waren de schilderingen in het gewelf. Tijdens de excursie besteedde Saskia daar erg veel tijd en aandcht aan. Meer dan eens werd de 'heilsgang' uitgebeeld: hoe de mens, na de zondeval, via Jezus' kruisdood en opstanding, gered kon worden. 
Ook veel plaatjes van Maria en haar leven in de Mariakapel. 
Een bijzondere plaats wat betreft gewelfschilderingen nam het zogenaamde friese kampgevecht in, in de Mariakerk te Westerwijtwerd.
Kampgevecht, Mariakerk Westerwijtwerd. 
Bij geschillen kon een kampgevecht worden gehouden om te kijken wie aan de kant van God stond. Net zo geldig als de heksenproef (met handen en voeten aan elkaar gebonden in het water gegooid worden; een heks bleef drijven, een onschuldige zakte weg (en verdronk!)
Sfeerplaatjes

Schilderingen zijn er vanaf 1500: figuratief, gotiek.
Witkalk was het kenmerk van protestantse kerken.

De ontdekker van de prachtige middeleeuwse gewelfschilderingen (secco's, geen fresco's, want droog aangebracht) van Maria was de Jezuïet Pater Franciscus Mijleman. Hij leefde van 1610-1667 en was missionaris in de Ommelanden. Hij kon zijn missioneringsarbeid behoedzaam verrichten onder de weinige katholieken in de Ommelanden onder de bescherming van enkele katholiek gebleven jonkerfamilies. 
Uitleg op papier bij één van de plafondschilderingen: de Emmausgangers. 
En hier zoals het er in de hoogte uitzag. 
Heel, heel veel gegevens deelde Saskia ons mee, zowel op het college als in de kerken. Te veel om allemaal in me op te kunnen nemen. Tijdens het college noteerde ik wel onder andere: knielnissen (nissen zijkant met een kijkgat, zodat je van buiten naar binnen kon kijken), spaarveldjes, piscina's (waardoor Gods water over Gods akker kon lopen: de handwassing van de priester na de consecratie), meloengewelven met niet-dragende ribben.
Meloengewelf, met niet dragende ribben. 
Tijdens het reizen in de provincie Groningen kwam ons niet alleen veel ter ore over het landschap, maar ook over de gevolgen van de aardbevingen. Herhaaldelijk wees Saskia ons op de zogenaamde 'wisselwoningen': 
Wisselwoningen Ten Post
Het zijn tijdelijke behuizingen voor mensen wier woning nog hersteld moeten worden. Dit levert enorm veel vertraging op, gezinnen wonen daar soms al een paar jaar. En dat, terwijl bewoners van de stad Groningen, voor van alles geld krijgen, onder ander gratis zonnepanelen. De mensen die in wisselwoningen terecht komen komen uit eenvoudige, kleine huisjes op het platteland. 
Nog twee sfeerplaatjes. De molensteen rechts kan van alles betekenen. Hij lag op een kerkhof. We hebben het hier niet over gehad, maar wat het zou kunnen zijn: het graf van een molenaar, een relict van een bestaand hebbende molen, of een symbool met bijbelse betekenis. 
Onze lieve familie, die ons een steun in de rug was bij onze eerste excursie.
Bij de laatste kerk stond een losstaande toren. Die stond vaak aan de hoofdweg. Had geen verdedigingsfunctie, bevatte soms wel gevangeniscellen. 
Het voelde als een hele leuke 'vakantie'! 
De touringcar bracht ons heen over de Afsluitdijk, terug via Lelystad. Helemaal veilig. 
Touringcar Hellingman.

woensdag 19 augustus 2026

Pessoa 2 - HOVO college door Peter Swanborn, 2026.

"Ik ben niet eens dichter: ik zie."
Fernando Pessoa

Op dit tweede college komt het heteroniem Alberto Caeiro aan de orde. 
Horoscoop van de ‘meester’ Alberto Caeiro
Van Alberto Caeiro maakte Pessoa zelfs een horoscoop. Hij werd geboren in 1889, maar kwam tot Pessoa in 1914. Pessoa gaf hem als enige heteroniem ook een sterfdatum mee; in 1915 sterft hij aan tuberculose. 
Pessoa beschrijft hem als een kind dat geen angst kent.  Voor Pessoa is hij de meester. 

Caeiro's gedichten staan in het boek De hoeder van kudden. 
De hoeder van kudden, boekomslag.

"Ik ben een hoeder van kudden.
De kudde, dat zijn mijn gedachten
En al mijn gedachten zijn gewaarwordingen."

(Uit: gedicht IX)
De titel Hoeder van kudden betekent niet dat Pessoa Caeiro zag als een verkapte Christusfiguur, hij denkt bij hem meer aan Vergilius, met zijn bucolische literatuur. Letterlijk dus: een herder, een landman. In de bucolische literatuur wordt het eenvoudige herdersleven verheerlijkt. De gedachten zijn pantheïstisch. Caeiro schrijft bucolische, pastorale (herders-)poëzie.
Bucolica, Vergilius, ca 40 voor Christus. 
Vergilius tussen twee muzen 
(3e eeuw), mozaïek in het Bardomuseum

Centraal staan eenvoud, rust en het ongecompliceerd landleven. Dit werk staat lijnrecht tegenover intellectuele boeken die zich meer in de stadswereld afspelen. Het zien als een kind is zijn thema, in tegenstelling tot het zien zoals dat gebeurt in de filosofie en metafysica. 
Zien dus kernwoord; het gaat om manieren van kijken. Caeiro ziet alles alsof het voor de eerste keer is. Hij wil ook niet méér zien dan er is, wil niets 'in de dingen leggen'. 


XXVI 

Soms, op dagen van volmaakt en zeer scherp licht, 
Waarop de dingen zo werkelijk zijn als ze maar kunnen zijn, 
Vraag ik mij langzaam af 
Waarom ik nog steeds schoonheid 
Toeken aan de dingen. 

Een bloem bijvoorbeeld, heeft die schoonheid? 
Is er soms schoonheid in een vrucht? 
Nee: ze hebben kleur en vorm 
En ze bestaan, meer niet. 
Schoonheid is de naam van iets dat niet bestaat 
Die ik de dingen geef in ruil voor het genot dat zij mij geven. 
Hij betekent niets. 
Dus waarom zeg ik van de dingen: ze zijn mooi? 

Ja, zelfs mij, die slechts van leven leeft, 
Bezoeken, onzichtbaar, de leugens der mensen
Jegens de dingen, 
Jegens de dingen die eenvoudigweg bestaan. 

Hoe moeilijk is het jezelf te zijn en slechts het zichtbare te zien! 

(11.3.1914) Alberto Caeiro / Fernando Pessoa 
vertaling: August Willemsen 
uit: Gedichten (tiende, herziene druk 2009)

Pessoa noemt de geesteshouding die ons belet te zien 'de vloek van het denken'. Er is géén andere werkelijkheid achter de onze. Pessoa/Caeiro gaat hiermee in tegen het eigentijdse symbolisme, die juist áchter de werkelijkheid een verborgen waarheid zag.
Swanborn vergelijkt Caeiro op dit punt met Gertrude Stein, die dichtte: 'A rose is a rose is a rose.'
Portret Gertrude Stein door Picasso.
1905-1906
Stein leefde van 1874-1946.
Mensen waren gewend symbolisch te denken: in een zandkorrel weerspiegelde zich het hele universum. Het was moeilijk terug te keren naar het loutere zien. Het vergde ook een andere leeshouding.

Caeiro formuleert helder, in vrij, onregelmatig parlando. Hij vraag zich af waarom mensen geen genoegen nemen met wat ze zien, en waarom we er meningen op na moeten houden - van mooi, niet mooi et cetera.  "Waarom [dan]  zeg ik van de dingen: ze zijn mooi? Ja, zelfs mij, die alleen van leven leeft, bezoeken, onzichtbaar, de leugens der mensen."
Allerlei onzichtbare zaken belemmeren het zicht op het zichtbare. 
Je moet het kind in jezelf bewaren, Pessoa waarschuwt voor een denkende houding.

Swanborn wijst op de invloed van de Griekse en Romeinse cultuur, en herinnert aan de grot van Plato. Immers, Plato leerde dat de 'werkelijke dingen' niet voor ons zichtbaar waren. Dit komt later nog aan de orde. 
Tegenover de onbevangenheid staat de strengheid. 




0=0=0=0=0=0=0=0=0=0

XXXIX  

Het mysterie der dingen, waar is dat? 
Waar is het dat het zich niet laat zien 
Althans om ons te tonen dat het mysterie is? 
Wat weet de rivier daarvan en wat weet de boom? 
En ik, die niet meer ben dan zij, wat weet ik daarvan? 
Telkens als ik naar de dingen kijk en denk aan wat de mensen ervan denken, 
Lach ik zoals een beek koel klatert op een steen. 

Want de enige verborgen zin der dingen 
Is dat ze geen enkele verborgen zin hebben. 
Het is vreemder dan alles wat vreemd is, 
Vreemder dan de dromen van alle dichters 
En de gedachten van alle filosofen, 
Dat de dingen echt zijn wat ze lijken te zijn 
En dat er niets te begrijpen valt. 

Ja, dit hebben mijn zintuigen geheel alleen geleerd: 
De dingen hebben geen betekenis: ze bestaan. 
De dingen zijn de enige verborgen zin der dingen. 

(3?.1914)
Alberto Caeiro / Fernando Pessoa 
vertaling: August Willemsen 
uit: Gedichten (tiende, herziene druk 2009)
August Willemsen, vertaler. 
1936-2007
Geweldig hoe hij alle Pessoa-gedichten heeft omgezet naar het Nederlands!

Gedicht XXXIX is erg belangrijk. Het begint met vier vragen. De 'ik' weet niet meer dan de rivier en de boom. Het is een leerhouding, een poging om de symbolische leeswijze uit te stellen.
Willemsen stelt ergens dat Pessoa's werk 'één weigering was om volwassen te worden.' Daar moet dan bij vermeld worden dat hij een groot sociaal leven had, hij praatte veel met andere mensen.
Opnieuw valt het parlando op, de vrije, onregelmatige versvorm. Pesso spreekt van 'het proza van mijn vrzen.
Hij formuleert helder. Waarom nemen wij mensen geen genoegen met wat we zien? We zitten vol meningen, mooi/niet mooi; die zitten het zuivere kijken in de weg. Hoe moeilijk is het jezelf te zijn, allerlei onzichtbare zaken belemmeren het zicht op het zichtbare.


De bundel Hoeder der Kudden is de enige die Pessoa zelf heeft samengesteld. Hij voltooide vele plannen niet. denk aan zijn boekenkist vol paperassen met werk die na zijn dood gevonden werd.
Nagelaten literair werk. Veel was onvoltooid gebleven.


Terug naar De hoeder der kudden:
Het boek beslaat 3 delen:
1. De hoeder der kudden;
2. de herder verliefd (over de mislukte romance van Pessoa);
3. onverzamelde gedichten.
Het boek heeft een voorwoord van Ricardo Reis, een ander heteroniem.


0=0=0=0=0=0=0=0=0=0


Het laatste gedicht van deze les :
*


De verbijsterende werkelijkheid der dingen
Is mijn ontdekking van elke dag.
Alles is wat het is,
En het is moeilijk iemand uit te leggen hoe mij dat verblijdt
En hoezeer mij dat volstaat.

Het volstaat te bestaan om volledig te zijn.

Ik heb heel wat gedichten geschreven.
Ik zal er nog veel meer schrijven, uiteraard.
Elk gedicht van mij zegt dat,
En al mijn gedichten zijn anders,
Want alles wat er is is een manier om dat te zeggen.

Soms kan ik gaan zitten kijken naar een steen.
Ik ga niet zitten denken of hij voelt.
Ik ga niet zo ver hem mijn broeder te noemen.
Maar ik hou van hem omdat hij een steen is,
Ik hou van hem omdat hij niets voelt,
Ik hou van hem omdat hij in niets met mij verwant is.

Andere keren luister ik naar het waaien van de wind,
En dan denk ik dat het alleen al om de wind te horen waaien loont te zijn geboren.
Ik weet niet wat anderen zullen denken als ze dit lezen;
Maar ik geloof dat het goed is omdat ik het denk zonder moeite,
En zonder gedachte aan anderen die mij horen denken;
Want ik denk het zonder gedachten,
Want ik zeg het zoals mijn woorden het zeggen.

Men heeft mij ooit een materialistisch dichter genoemd,
En ik was verbaasd, want ik had niet gedacht
Dat men mij wat dan ook zou kunnen noemen
Ik ben niet eens dichter: ik zie.
Als wat ik schrijf enige waarde heeft, dan is die niet de mijne:
De waarde ligt daar, in mijn verzen.
Dat alles staat absoluut los van mijn wil.

Alberto Caeiro / Fernando Pessoa
vertaling: August Willemsen uit: De hoeder van kudden (2003)

Het laatste huis van Pessoa, van 1920 tot zijn dood in 1935, is tegenwoordig het Fernando Pessoa Museum; Lissabon.

Pessoa wil 'denken zonder gedachte', de nadruk ligt op de spontaniteit, directheid, zonder reflectie.
De laatse strofe drukt het pregnant uit: ik ben niet eens een dichter, ik zie. Kijken centraal. Als dichter heeft hij geen identiteit, de waarde ligt in zijn gedichten. Het schrijven overkomt hem, hij is als het ware doorgeefluik. Hij maakt zichzelf ondergeschikt aan de natuur.

Swanborn wijst op een innerlijke tegenspraak in Pessoa's/Caeiro's gedichten: over wat hij ziet, horen we niets. Zijn natuur is een gedroomde wereld. Feitelijk zijn het gedichten over de kunst van het kijken. Met intrinsiek: de aansporing om alle aannames los te laten.
Swanborn stelt de vraag of dit onderscheid tussen zien en denken wel bestaat. 
(Hmmmmm.... AdW)

Uiteindelijk blijkt Caeiro een doodlopende weg te bewandelen. Hij heeft ook als enige een sterfdatum, Pessoa kende hem van 1914-1915, dat laatste was zijn sterfjaar. Willemsen stelt de vraag of zijn visie te theoretisch was. Wel is Caeiro als dichter zeer geslaagd. 
A rose is a rose is a rose

"Naast de heteroniemen Alberto Caeiro, Ricardo Reis en Álvaro de Campos en het semi-heteroniem Bernardo Soares, creëerde Pessoa meer dan honderd figuren die verbonden waren aan het auteurschap van teksten en gedichten, waaronder personages als António Mora, Jean Seul de Mérulet, Dr. Pancrácio, Charles Robert Anon, Alexander Search en Abílio Quaresma.

Zijn laatste woorden waren met potlood in het Engels opgeschreven, de dag voor zijn dood: 

'Ik weet niet wat morgen zal brengen.'"

zondag 16 augustus 2026

Kannibalen, Graciliano Ramos, 2002 (1933)

Boekomslag
Oorspronkelijke titel: Caetés
Eerlijk is eerlijk: ik had belangstelling voor dit boek vanwege de Caetés-Indianen. Aan hen dankt dit boek zijn titel. Het hoofdpersonage van Kannibalen, João Valério, is bezig een boek te schrijven over die Indianenstam. Dat wilde ik wel eens zien!
Helaas kwam ik op dit punt bedrogen uit: het gaat uiteindelijk niet over de Indianen, elke poging van João Valério om een 'levende' zin te produceren over dit onderwerp mislukt. Hij is niet in staat iets zinnigs te schrijven over een geschiedenis die hij niet zelf heeft meegemaakt.
Zo kende ik Ramos eigenlijk al.... Hij schrijft echt altijd over zichzelf, uit zijn geheugen.

Daarom: ik zal heus straks beginnen over het boek, maar eerst begin ik met wat mijn aandacht op dit boek vestigde: de mensenetende Caetés-Indianen.
Het bekendste over dit Tupi-volk - de Tupi bestondfen uit meerdere stammen, de Caetés waren daar één van - is het feit dat ze de eerste bisschop van Brazilië verslonden: Pedro Fernandes Sardinha. Deze man werd in 1496 geboren. Op weg naar Portugal leed hij in 1556 schipbreuk voor de noordoostelijke kust van Brazilië, waarna hij werd opgegeten door de Caetés.
Een standbeeld voor de man, ik weet niet waar dit staat. 

Op zoek naar meer informatie over deze gebeurtenis kwam ik uit bij deze prent: 
Een afbeelding van de moord op de bisschop en de 90 andere opvarenden van zijn schip.
De afbeelding staat in het vijfdelige werk van Francisco Adolfo de Varnhagen (1816-1878), getiteld Históri geral do Brazil. De fotogravure is van Augustin François Lemaître
 
Francisco Adolfo de Varnhagen (1816-1878)
In het Nederlands: Algemene geschiedenis van Brazilië.
Dit is de eerste editie, van 1854.
De boeken beschrijven de ontdekking, kolonisatie, wetgeving en ontwikkeling van Brazilië,  tegenwoordig een onafhankelijk rijk. Het is gebaseerd op vele authentieke documenten afkomstig uit archieven van Brazilië, Portugal, Spanje en Nederland. Er staan veel gravures in, waaronder bovenstaande. 
Noot bij dit belangrijke werk: 
De hedendaagse historiografie bekritiseert het boek scherp vanwege de politieke vooringenomenheid en de uitsluitende kijk op inheemse en zwarte bevolkingsgroepen. Toch  heeft de degelijkheid van het archiefonderzoek het onmisbaar gemaakt. Het is de "hoeksteen" van de geschiedschrijving in Brazilië: elke serieuze onderzoeker moet zich met dit werk bezighouden, ofwel om het te gebruiken als bron van waardevolle primaire gegevens, ofwel om de methodologische stellingen ervan te bespreken en te ontleden. Varnhagen wordt "de vader van de moderne Braziliaanse geschiedkundige wetenschap" genoemd.

Latere geschiedschrijvers zetten grote vraagtekens bij het opgegeten worden van bisschop Sardinha. Er was maar één hoofdbron van het verhaal: pater Vicente de Salvador. 
Dit boek schreef Vicente de Salvador in 1627; hierboven is een eerste uitgave van 1889, ik weet niet waarom er zo'n tijd tussen zat. Deze História was mede een inspiratiebron voor Varnhagen.
Door allerlei andere gebeurtenissen is het maar de vraag of het banket daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Immers: de dood van bisschop Sardinha diende als voorwendsel voor de Portugezen om een ​​oorlog tegen de Caetés te beginnen. In vijf jaar conflict roeiden de Portugezen de ongeveer 80.000 Caetés uit en begonnen ze het gebied waar ze woonden te koloniseren.
Er waren ook onderlinge conflicten tussen de Portugese priesters en bisschoppen: de een wilde de Indiaan helemaal omtoveren tot een Europeaan, van de ander mochten ze wat meer zichzelf blijven. Of ze mochten alleen nog verder als slaaf. Sardinha was nogal een harde. 
Interessant is dat een vrouw, Nísia Floresta, het opnam voor de Caetés. Terwijl iedereen meedeed hen in een kwaad daglicht te stellen, prees zij hen om hun moed en onafhankelijkheid. Floresta was overigens een voorvechter voor vrouwenrechten. 
Nísia Floressta, 1810-1885
Zij schreef het gedicht A Lágrima de um Caeté ("De traan van een Caeté") in 1849. In dit werk nam zij het op voor de Caetés door hen niet als wrede wilden af te schilderen, maar als heldhaftige slachtoffers en symbolen van verzet tegen de koloniale en keizerlijke onderdrukking. Zij vond hen 'moedig en onafhankelijk'. 
In de twintiger jaren van de 20e eeuw begon in Brazilië een Antropofagische beweging, gesteund op Oswald de Andrade's Antropofagisch Manifest, waarin metaforisch werd gesteld dat alleen kannibalisme de Brazilianen verenigde, aangezien de vorming van de nationale identiteit plaatsvond na het verslinden en verteren van de Europese, Afrikaanse en inheemse culturele matrices. Dit kwam 374 jaar na de 'overwinningsmaaltijd' van de Caetés.
Antropofagisch ritueel ontworpen door Theodore de Bry (1528-1598)
Het eten van mensen door mensen wordt ook wel 'een daad van antropofagie'
genoemd.
"Een Tapuya- vrouw met menselijke lichaamsdelen" door Albert Eckhout, 1610-1665. Nederlands schilder, hoorde bij de entourage van de Nederlandse Maurits in Brazilië.
Het schilderij van Albert Eckhout van de Tupi
De Tupi waren een grote groep inheemse mensen die de Braziliaanse kust bewoonden en behoorden tot de eerste inheemse bevolkingsgroepen die de Portugezen tegenkwamen toen ze in Zuid-Amerika aankwamen. De Tupi waren verdeeld in verschillende stammen, zoals de Tupiniquim , Tupinambá , Potiguara , Tabajara , Temiminó, Tamoio en Caeté. 
De Caeté stonden bekend om hun bijzonder gewelddadige gevechten, maar ze waren ook bedreven in de landbouw, aangezien ze een verscheidenheid aan gewassen verbouwden, zoals maïs, pinda's  tabak, pompoen, katoen en nog veel meer.
Zoals al gezegd: de Caetés zijn volledig uitgeroeid. 

0=0=0=0=0=0=0=0=0=0=0=0=0=0=0=0=0=0=0

Dan kom ik nu pas toe aan het boek zelf, van Ramos. Nee, het gaat niet over kannibalen - althans: niet de hierboven beschreven kannibalen. Het gaat over João Valério, van wie het boek een karakterschets geeft, en tegelijk schetst het diens hele sociale omgeving: zijn werkgever, zijn minnares, zijn vriend, de notabelen van de stad: de apotheker, de notaris enzovoorts. En elk heeft zijn eigen karakter, een fantast (Nicolai Varejão), een roddelaarster (Dona Engracia), een lasteraar (de apotheker Neves). de vriend (Isidoro Pinheiro) enzovoorts. 
Het verhaal behelst gesprekken die ze voeren, thuis bij de werkgevers Adrião en Vitorino Teixeira, in het pension enzovoorts. Waarmee een zedenschets wordt gegeven. En de draad van actie betreft de liefde, of de slippartij van Luísa, de vrouw van Adrião, met João. Dat gebeurt ondanks zijn zelftwijfel en zelfhaat. Maar het slot van het liedje is wel dat de ziekelijke Adrião zich van kant maakt. Dan is de weg vrij voor de twee, zou je zeggen... Maar ze stellen allebei vast dat ze niet van elkaar houden. Dus einde liefde. 
João beseft dat er op hun hele beschaving, inclusief hemzelf, maar een heel dun laagje beschaving ligt, dat zij eigenlijk kannibalen zijn. Dat klopt wat mij betreft, inzover er overal gelogen wordt, er is ontrouw en verraad, niks wordt openlijk uitgesproken. De heimelijke vrijpartijen van zijn vrouw met João hebben Adrião het leven gekost, en João neemt doodleuk Adrião's plaats in in het bedrijf (dat brandewijn produceert.) Van boekhouder is hij nu directeur, volkomen ontkennend dat hij mede de oorzaak is van Arião's ongeluk.
Als dat geen kannibalisme is! 

De stijl blijft geweldig, de woordkeus om te smullen: "índrukwekkende nonsens", "donzige adjectieven". "De vermetelheid een historische roman in elkaar te flansen zonder iets van geschiedenis te weten."

Willemsen toont in zijn nawoord aan dat in dit debuut van Ramos al veel kenmerken van zijn latere werk is terug te vinden: het neerkijken op zijn eigen werk, in het algemeen: geen hoge dunk, van niemand niet. Vooral niet van loze woorden.  De twee grote antipolen: beschaving en ruwheid. João lijkt beschaafd, maar is in wezen een wilde. 
Dit boek was, anders dan de twee andere die ik las, ook af en toe om te lachen, vooral in het begin. Maar over het geheel genomen boeide het me minder dan Angst of Kinderjaren. Blij dat ik het uit had. :-)  


dinsdag 4 augustus 2026

Graciliano Ramos, Kinderjaren, 1945 (2007)

'Niettemin behoorden slaag en geschreeuw tot de orde der dingen.'
Kinderjaren, p. 18)
Nederlandse vertaling, August Willemsen, 2007.
Portugese uitgave, jaartal niet bekend. 

De oorspronkelijke titel is Infância, gepubliceerd in 1945. De Nederlandse vertaling is van August Willemsen, 2007. Het jaar van zijn sterven.  

De structuur van Kinderjaren is anders dan die van Angst. Daar vonden we fragmenten - geen genummerde hoofdstukken, maar aangegeven elk met een asterix - wat te maken heeft met het ontbreken van een werkelijke chronologie. Kinderjaren op zijn beurt heeft hoofdstukken met elk een eigen titel. Elk hoofdstuk is ook als een apart kort verhaal te lezen. Toch zit er samenhang in het geheel, omdat personages herhaaldelijk optreden. Er zitten ook bekenden in deze roman die we ook al tegenkwamen in Angst, zoals de vader en de grootvader. Beide romans zijn in hoge mate autobiografisch, Willemsen noemt het allebei memoirenromans. Ook in Sao Bernardo treden bekende figuren weer op. 
Graciliano Ramos, 1892-1953
Het Nawoord van Willemsen heeft de prachtige titel: Het kind als vader van de mens.
Als terugkerende personen noem ik de bebaarde schoolmeester, Amaro de koeherder, Josef Baía, de negerjongen José. De grootvader van moederszijde, Pedro Ferro, krijgt in Kinderjaren een halve bladzijde in De ochtend, en het hele hoofdstuk 19 wordt aan hem gewijd. Verder eigen hoofdstukken voor dona Maria, pastoor João Inácio en José da Luz.
In Ramos' andere werk Angst komt ook de beschrijving voor van de fazenda en zijn bewoners.  São Bernardo komt weer geografisch overeen met de omgeving van Viçosa.
Cangaceiros; het beeld van hen wordt geromantiseerd, ze worden tot een soort Robin Hood verklaard. Dat heb ik bij Ramos nergens terug kunnen vinden. De fazenda-houder had ze in dienst om zo het recht in eigen hand te kunnen nemen - aldus beschrijft Ramos hen. Onderdanig aan zijn grootvader, voor wie ze de vloer met hun hoeden veegden. En verder moordden in zijn opdracht.  
Of dit plaatje klopt met hun uiterlijk weet ik ook niet. Soort algemeen plaatje voor Braziliaanse bandiet.  

Ook in Ramos' cursiefjes traden bekende figuren op, meermalen dus voorkomend. Zo is er de geitenhoeder Ciríaco, slechts vluchtig vermeld in het hoofdstuk Mijn grootvader. 

"In Viventes de Alagoas besteedt Ramos aan deze figuur een cronica die hem bestempelt tot een prototype, of archetype, van Casimiro Lopes, Fabiano en José Baía tegelijk. Hij beschikte over een rudimentaire woordenschat en sprak met horten en stoten, sprong van de hak op de tak, maakte zinnen niet af, laste lange stiltes in (....). In dat kromme en omslachtige taaltje, vol sprongen naar voren en naar achteren, verhaalde hij van langdurige gebeurtenissen, die de toehoorders op verschillende manieren begrepen. [...] Voortreffelijk mens, ik heb hem nooit boos gezien."

Het is alsof al deze figuren - Ciríaco, Casimiro Lopes, Fabriano, José Baía, afsplitsingen zijn, bijna replica's, van Graciliano's grootvader van moederszijde. Deze opa wordt soms 'met bijbelse tonaliteiten' beschreven ('Ik vergeleek hem met de oude joden, Abraham, Isaak, Esau, gelovig en carnivoor.') - '(Hij) vervulde eenvoudige plichten, de zorg voor het vee, toezien hoe het zich vermenigvuldigde (....). Geen enkele vreemde gedachte verontrustte hem, geen geschrift zou deze oude, ruige, herderlijke God kunnen veranderen.'  Hij is de baas van de fazenda, veehouder, alles is daar van leer, hij slacht zelf, heeft slaven over na de afschaffing die het immers toch nergens anders beter hebben.
Ramos beschrijft ook zijn overgrootvader in het stuk Een voorvader (geciteerd in appendix 3) die van een heel andere makelij is: nog geheel goed van geheugen, nooit veel gelezen maar weet feiten uit het publieke leven nog precies. Niet ziekelijk. "Wonderlijke ouderdom, die puur en helder was, vrij van gerochel en bronchitis." Een man wiens wereld evenmin verstoord werd door enige 'vreemde gedachte'. ('Waarvoor al dat papier? Enfin, ik weet niet, andere tijden.') Ook diens vocabulaire telde maar een paar honderd woorden. 
Sfeerplaatje
Xique, zeer verbreide cactus in het Noordoosten
In Kinderjaren zelf  wijdt hij ook veel aandacht aan zijn opa van vaderszijde. In het hoofdstuk 'De Ochtend' beschrijft hij beide grootvaders. De 'zachte', van vaderszijde, maakt zeven. Degelijk handwerk, niet nagemaakt van de fabriekszeven, maar precies uitgedacht, vol geduld in elkaar gezet, hartstikke degelijk, maar niemand gebruikt ze.  Hij zingt. Hij is het tegendeel van de grootvader van moederszijde, de al eerder beschreven 'barbaar,' die eigenhandig slacht, alles van het vee weet, en de fazenda beheert.
Graciliano voelt sympathie, bewondering en afgunst voor beide opa's. en die gevoelens moeten hem hebben verscheurd. Hij kon niet zijn dan anders dan zij. Hij heeft een gruwelijke opvoeding gehad - ik noem met name het hoofdstuk Een riem: zijn vreselijke vader mishandelt hem omdat hij denkt dat Graciliano zijn riem heeft. Aan het eind van het liedje ligt de riem gewoon in zijn hangmat. Hij maakt geen excuus. Letterlijk alles is achterlijk en vreselijk voor hem als kind, zie zijn schoolopleiding en die vreselijke vader, al zijn er enkele fijne mensen. Wel vraag je je als lezer (mét Willemsen!) af hoe zo'n jongen kon uitgroeien tot de grote schrijver Ramos die hij was!
Dat antwoord ligt volgens Willemsen bij zijn grootvader van vaderszijde. Van hem erft hij het geduld, het handwerk, het precieze, het géén-plagiaat. 
Maar er is ook die ruwe, fazendabaas, voor wie hij bewondering voelt. Willemsen legt uit,  dat de twee grootvaders symbool staan voor de twee beschavingsvormen van het noordoosten: tegenover de barbaarse 'lederbeschaving' van de op veeteelt aangewezen sertão, staat de verhoudingsgewijs verfijnde suikerrietbeschaving van de mata, de strook tussen kust en sertão. Tertuliano Ramos (die van het geduldige en degelijke handwerk) vertegenwoordigt de kust, zij het dat hij door verlies van zijn plantages in aanzien is gedaald. Graciliano ziet hem als symbool van de kunstenaar. De manier waarop hij zeven maakt is toepasbaar op de manier waarop Graciliano schrijft. 'Die absurde roeping voor nutteloze dingen. De andere, van moederszijde, Pedro Ferro, vertegenwoordigt het mannelijke, stoere.
Sfeerplaatje: 
Urubu, zwarte gier, zeer verbreid in Brazilië, waar hij als afvalopruimer soms in zwermen van honderden te zien is. 
Graciliano's verhouding tot de twee naturen zijn complex en wisselend. Graciliano vertoont minachting en haat jegens de sociaal zwakkeren, tegelijk met verontwaardiging en solidariteit. Hij poogt in het reine te komen met zijn eigen zwakheid. Keerzijde van die zwakheid is de bewondering voor de sterke, die gekleurd wordt door afschuw en afgunst.
Certanjero of veedrijver, uit de regio Pernambuco
Hij zal zelf nooit zo kunnen zijn, hij is kunstenaar - maar hij kan zijn eigen kunstenaarschap niet waarderen. Een jongetje dat een kat een brandende lap aan de staart bindt, bewondert hij, hij verrichtte in  Graciliano's ogen een heldendaad. 
In Angst bewondert hij Julião Tavares, maar minacht hem ook, de mooiprater, de literatuur die niks om het lijf heeft. Luis da Silva, hoofdpersoon, heeft een superieure intelligentie, en hij ziet dat Tavares een minderwaardig wezen is... En toch heeft Julião alles wat hem zelf ontbeert: aplomb, welbespraaktheid, rijke familie, sociaal aanzien, savoir vivre. Kijkt Da Silva naar zichzelf in de spiegel, dan ziet hij 'een bête gezicht', hij 'weet' dat iedereen hem uitlacht, 'met het voorkomen van een muis, een welopgevoede muis, met zijn pootjes friemelend in het pakje sigaretten.'
Hij bewondert lui die misdaden plegen om te laten zien dat ze niet met zich laten sollen. Het aangrijpendeste voorbeeld is misschien "Het ongelukkige kind". Dit gaat om Cícero Feitosa, van homoseksualiteit verdacht, gefolterd en uitgestoten. Beging op zijn 15e zijn eerste moord en werkte zich door misdaad op tot 'de sterke'. Nam wraak op al zijn vroegere folteraars. 
Graciliano houdt zijn hele leven zijn vroegere bewondering voor geweld. 'Zijn welopgevoedheid, zijn beschaving, zijn kunstzinnige aanleg, de letteren kortom, waartegen hij als kind een soort passief verzet pleegde, brachten hem als volwassene tot een dodelijke haat jegens mooipraterij, tot misprijzen van zijn eigen werken literatuur in het algemeen, want het geschreven woord hield de mens maar af van zijn zelfvervulling als sterke.'