vrijdag 9 oktober 2026

De trein der traagheid, Johan Daisne, 1996 (1950)

 
Boekomslag, uitgave 1996. 
Er zijn heel diverse uitgaven. Deze is van Manteau, Antwerpen. 
Het boek wordt nog steeds herdrukt.
Johan Daisne, pseudoniem van Herman Thiery; 1912-1978.
 Vlaams schrijver, dichter van toneelstukken, hoorspelen en essays. Zijn bekendste boeken zijn De trap van steen en wolken (1942), De man die zijn haar kort liet knippen (1947) en De trein der traagheid (1950). Hij was een van de auteurs die de aanzet gaven tot de stroming van het magisch realisme in de Nederlandse literatuur.

Ik kwam tot het lezen van dit boek nadat we de film Un soir, un train, uit 1968 gezien hadden. 
Ik was blij verrast, het is een heel mooi boek, anders dan de film trouwens. Een heel goede uitleg, compleet met alle symboliek erin, is te vinden op de site van de Digitale Bibliotheek van Nederlandse Letteren.

Misschien kwam het doordat Daisne een schrijver is uit mijn jeugd, dat ik een bepaalde schrijfstijl herkende, en nog altijd zeer waardeer. De eerste doodgewone zinnen luiden: 

"Toen ik de ogen opende, bemerkte ik dat de gehele coupé sliep. Het meisje over me, met haar niet onaardige gezicht maar rouwige nagels, zat nog met haar handwerkje in de hand. Het rustte nu roerloos - in zover iets ooit zonder beweging kan zijn in een rijdende trein - op de smoezelige zakdoek in haar schoot."

Natuurlijk sprak het me ook aan omdat ik net de film gezien had, en ik me het gezicht van het meisje, met het stuk chocolade in haar hand - dat was in de film - nog goed herinner.
Enfin.
Het verhaal loopt iets anders dan in de film. Deze hoofdfiguur in het boek is zonder naam, en museumdirecteur. Zijn beroep speelt overigens geen rol, of ik zag die niet. De hele taalkwestie van de film komt in dit boek niet voor. Het aspect 'magie' ontvouwt zich stukje bij beetje: iedereen slaapt opeens, de schemering is vroeger ingevallen. De ik-figuur gaart op zoek naar een vuurtje voor zijn sigaret, en ziet 'een lichtje': de brandende sigaar van professor Hernhutter. De trein stopt, buiten de trein treffen vinden ze nog iemand, een jonge man, Val. Daisne verwijst met professor Hernhutter expliciet naar de Hernhutters, de historische oorsprong. Hernhutters legden zich toe op zedelijke vervolmaking. Daarmee is de oude man een duidelijke symbolische verwijzing. Hij wordt ook vroedheer genoemd, doordat hij aan Val vragen stelt die hun hele situatie verhelderen.
Het meest onthutsend, verwarrend, is wat hij zegt over leven en dood: het leven zou nog eventjes voortduren in de dood - terwijl de levenden al tijdens het leven zouden anticiperen op de dood. Vergelijkbare fenomeen waren al door de ik-figuur gedacht: hij had het over enerzijds de ‘inchoatieve reflex’ - een term uit de fonologie: een klank vormt zich al naar de erop volgende klank, vergelijk het woord inbedding, we zeggen imbedding. - En het tegengestelde zien we bij een wet uit de fysica: de wet der traagheid, of inertie. Volgens die wet zet een beweging zich nog even voort nadat hij al voltooid is.
We voelen nu wel dat de drie mannen - jeugd, middelbaar, oud - zich bevinden in het overgangsgebied tussen leven en dood en dat de trein daar een belangrijke rol bij speelt. Er blijken nog meer overeenkomstige gedachten te zijn tussen de ik-figuur, Val en Hernhutter. Alle drie hadden vlak voor het inslapen een gevoel van grote gelukzaligheid over hun leven. Alsof het overzien werd in een terugblik. Ook dat wijst erop dat ze zich in een tussenfase van leven en dood bevinden.

Ze bereiken eindelijk de lichtjes die tot dat moment waren blijven wijken. De lichtjes horen bij een herberg. Daar zijn allemaal reizigers, maar contact maken is lastig, omdat ze daar allen een taal spreken die de drie niet verstaan. Ook is er geen communicatie naar buiten toe, en ontbreken klokken, de tijd dus.
Val gaat dansen met de barjuffrouw, en er gebeurt nog iets wonderlijks met een kaarttruc. Val kent er een, maar de kelner kent nog een veel vernuftiger. Hoe kan dat? Het is een vreemde wereld met ongekende mogelijkheden. Want ook zien Hernhutter en de ik-figuur allebei een andere vrouw in Vals armen - namelijk ieder zijn eigen vrouw. En later blijkt dat Val nog weer een andere vrouw ziet. Terzijde overigens: dit stuk is in de film goed vervreemdend weergegeven, met eigenaardige muziek en danspassen.
Er klinkt plotseling een scherp signaal van een buurttram, alle reizigers reppen zich naar buiten. Val wil ook mee met de tram, samen met de vrouw. Maar de ikfiguur ziet dat Val wel weg is, maar de vrouw niet. Hij vraagt aan de vrouw wie zij is, en zij zegt dat ze verpleegster is, ze heeft geholpen na een treinongeluk. Daarbij is Val omggekomen.
Einde verhaal.

Het is een boek dat te denken geeft, en je fantasie/verbeeldingswereld prikkelt. Het is op een bepaalde manier hoopvol, door de gedachte dat het leven uiteindelijk een gevoel van geluk geeft. Dat klopt met Daisnes  opvatting van het magisch-realisme, dat voor hem een levenshouding is. We kunnen daarin twee thema's onderscheiden: 
Droom en werkelijkheid: Daisne beschouwde de werkelijkheid en de droom niet als tegenstanders, maar als een 'geheimzinnige twee-eenheid'. De droom vloeit voort uit de werkelijkheid en omgekeerd. 
Religieus gericht: Hij noemde zijn magisch-realisme uitdrukkelijk 'religieus gericht', omdat het de mens in contact brengt met een hogere, transcedentale dimensie achter het zichtbare bestaan. 
De trap staat symbool voor hem naar het transcendente; zie Daisnes roman De trap van steen en wolken. De treinreis in De trein der traagheid kan gezien worden als symbool voor onze levensreis. 

Een terzijde: 
De treinreis is ook het kader in de roman Die Stadt hinter dem Strom (1947) van de Duitse auteur Hermann Kasack (1896-1966). Dat is een bij uitstek magisch-realistisch werk dat eveneens over het contact van de levenden met de wereld van de dood handelt. Gezien de data van verschijnen kan er moeilijk van rechtstreekse beïnvloeding sprake zijn, maar de sfeer en de thematiek zijn opvallend gelijkend.
Uitgave 1947

Conclusie:
Ik ken Daisne al vanaf mijn HBS-tijd van de roman De man die zijn haar kort liet knippen. Verder nooit iets van hem gelezen. Ik was aangenaam verrast door dit boek, vond het een verrijking. En dat dank zij de film met dezelfde naam. 

Tot slot nog een 'heel erg' terzijde: 
Ik vond nog een paar verwijzingen naar andere boeken die ik toch even wil vermelden. Het een is naar een werk van Anna van Gogh- Kaulbach, getiteld Moeder. (1908). Het is een volledige digitale weergave van het boek door het Allard Piersonmuseum. Dat op zich vond ik al leuk!
Het tweede is opnieuw een digitale weergave van een boek, namelijk  Het jongetje (1898), van Henri Borel. Ook nam ik nog vluchtig kennis van het boek van Daisne 
Beide boeken hebben hun populariteit gekend in hun jaren, ze worden nu niet meer gelezen. 
Ik weet niet meer waarom ik ze heb genoteerd tijdens mijn onderzoek, de verbanden mret De trein der traagheid ben ik kwijt. Wel komt in Egbertha in de onderwereld een scene in een herberg voor die ik gemakkelijk kon associeren met de herberg in De Trein der traagheid.  
Ik laat de links hier als losse eindjes staan, het verband komt misschien nog ooit. De trein der traagheid wordt trouwens nog wel altijd gelezen! 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten