donderdag 23 oktober 2014

De Thibaults - Roger Martin du Gard, 1922


Boek
Roger Martin du Gard is een grote ontdekking voor mij. En niet alleen voor mij, want zoveel jaar na het verschijnen van deel I van Les Thibault (1922), is er nu een Nederlandse vertaling van de hand van Anneke Alderlieste.
Ik begin maar meteen met de aanbeveling van het boek door Maarten 't Hart:
Maarten 't Hart enthousiast over De Thibaults
Het boek begint eveneens met een voorwoord door 't Hart.
Het was geen enkele moeite dit boek, dat maar liefst 861 pagina's telt, te lezen. Het is onderdeel van een romancyclus, een zogenaamde roman-fleuve, waarin de broers Antoine en Jacques de hoofdrol spelen. Het gaat meteen ook over de sociale en morele ontwikkeling van de Franse bourgeoisie tijdens de Belle Époque. Uiteindelijk zal de Grote Oorlog een rol spelen, maar in deel I is dat nog niet zo ver.

In het nawoord vertelt Alderlieste iets meer over Martin du Gard. Hij won in 1937 de Nobelprijs voor de literatuur voor Les Thibault. Hij was wars van elke vorm van persoonlijke publiciteit. Toen hij van André Gide vernam dat hij de Nobelprijs gewonnen had, maakte hij dat hij weg kwam. Hij heeft vrijwel niets van zijn privéleven in de openbaarheid gebracht.
Hij leefde van 1881 tot 1958. Zijn schoolprestaties waren wat beneden de maat, maar hij leest ongelooflijk veel. Ook is hij een geïnteresseerde toeschouwer van andermans leven. Hij schrijft met regelmaat over het thema 'de voyeur'. Hij leert van al zijn lezen dat hij bij het schrijven vooral structuur moet aanbrengen.
Oorlog en Vrede van Tolstoi is voor hem een openbaring; het stimuleert hem op de weg van de roman van lange adem. Het kijken naar de wereld, zonder God (Tolstoi introduceerde pas later God in zijn werk) boeit hem zeer.
Hij volgt een opleiding tot archivaris, waar zijn belangstelling voor geschiedenis ontstaat. Zo ontwikkelt zich zijn vermogen zijn personages te verweven met de politieke feiten.
Hij vestigt zich met zijn vrouw in Parijs. Zijn eerste roman verdwijnt in een la. Martin du Gard gaat dan een tijdje colleges volgen bij neurologen en psychiaters. De kunst om een ziektebeeld te beschrijven verschilt niet zo veel van zijn literatuuropvatting. Het gaat hem niet om de moraal (anders dan bijvoorbeeld zijn vriend Gide), maar puur om de beschrijving van de naakte werkelijkheid.
'In 1920 koopt hij een huis in Clermont om zich terug te trekken en De Thibaults te schrijven. In de grootste kamer zijn alle tafels uit het huis bij elkaar gezet, met daarop uitgespreid het enorme aantal systeemkaarten die alles tof van het werk bevatten: de personages, hun gedetailleerd curriculum en het schema van de gebeurtenissen. Met een potlood, een blocnote en wat fiches met aantekeningen in de hand loopt hij van de ene tafel naar de andere, aarzelend, zich bedenkend, tien keer op zijn schreden terugkerend voor hij ten slotte de aantekeningen die hij tussen zijn vingers houdt in het juiste mapje schuift. Als dit werk klaar is, is het boek in feite af. Het moet alleen nog geschreven worden.'
Een prachtig stukje wordingsgeschiedenis van de roman, uit het Nawoord van Alderlieste.
Het werk blijkt zo omvangrijk, dat hij op een bepaald moment (na een ernstig ongeval dat hem voor maanden in het gips doet belanden) inziet dat hij het niet af zal krijgen. Hij bedenkt dan een andere ontknoping.
Zijn laatste grote werk wordt Luitenant Kolonel de Maumort; de memoires van een oude kolonel die gevangen zit en zijn dagboek schrijft, maar meer en meer afdwaalt naar het verleden. Opnieuw een terugkijken in de tijd, maar nu in wisselwerking met het heden.
Roger Martin du Gard
Ik geef nu mijn overzicht van deel I van De Thibaults.
Om te beginnen de personages:
Antoine en Jacques Thibault; broers. Er zit 9 jaar leeftijdsverschil tussen hen. Hun moeder Lucie stierf bij de geboorte van Jacques.
Hun vader is Oscar Thibault. Een strenge, harde man; katholiek. Hij doet veel goed werk, zonder van zichzelf te zien dat het hem (ook) om de eer te doen is.
Hij stuurt Jacques naar een verbeteringsgesticht (een tehuis met zijn naam).
Na zijn dood ontdekt zoon Antoine dat vader nog een geheim leven had, dat de zoon niet bekend was.
Antoine is arts, Jacques heeft eigenlijk niet een echte opleiding voltooid. Hij ontwikkelt zich als schrijver.
Ten huize van de Thibaults leven Mlle de Waize, die de jongens heeft opgevoed na de dood van mevrouw. Ook haar nichtje Gisèle; dochter van haar broer majoor de Waize en een halfbloed moeder (uit Madagascar). Meneer Chasle, de secretaris; met zijn vrouw en moeder. Hun dienstbode heet Aline. Haar zus heeft een dochter, Dédette, die gered wordt door een operatie van Antoine. Bij die operatie leert Antoine Rachel Goepfert kennen. Ze krijgen een verhouding, maar die is tegelijk erotisch en pijnlijk voor Antoine. Rachel onthult hem allerlei geheimen, zoals een verhouding met Hirsch, iemand uit de show- en theaterwereld. Maar ook iemand met een rare reputatie: hij heeft zijn boy gedood (een genadeschot toen een krokodil hem te pakken had) en hij zou een incestueuze verhouding hebben gehad met zijn dochter Clara, en de hand hebben gehad in haar dood, en de zelfmoord van haar verloofde Aaron. Clara had blauwe plekken op haar hals, ze zat in het bootje op een meer waarmee Aaron een eind aan zijn leven maakte. Toch gaat Rachel na een tijdje weg bij Antoine om Hirsch - die volgens haar in Soedan is - weer op te zoeken. En o ja: Rachel heeft een gestorven dochtertje, Antoine en zij bezoeken het grafje van Roxane Rachel. Een film over Afrika en foto's roepen allerlei herinneringen bij haar naar boven.
De tweede belangrijke familie is de familie Fontanin. Moeder Thérèse, vader Jérôme, zoon Daniel en dochter Jenny. Zij zijn protestants. De moeder is zeer gelovig; vader heeft allerlei vriendinnen, en laat zijn vrouw met alles alleen zitten. Toch scheidt zij niet, op aandringen van de dominee. Daniel is een goede vriend van Jacques. Als kind lopen zij samen van huis weg, omdat zij samen een vriendschapsschrift hebben, dat ontdekt is. Er worden allerlei verkeerde conclusies uit getrokken, zoals dat de jongens homoseksueel zouden zijn. Jacques wordt hiervoor gestraft met het al genoemde gesticht in Croey.

De Fontanins zijn de tegenpolen van de Thibaults, zij zijn protestants. Er groeit een liefde tussen Jacques en Jenny, waaraan geen van tweeën toegeeft. Jacques verdwijnt drie jaar, niemand weet waarom.
Abbé Vécard is de biechtvader van Oscar Thibault.
Ook is er een speciale band tussen Gisèle en Jacques, zij is als kind al gek op haar 'Jacquot'. Tijdens zijn afwezigheid ontvangt ze van hem een mand rozen uit Engeland, waardoor ze denkt dat haar liefde beantwoord wordt. Dat blijkt niet het geval, hij heeft inmiddels liefde voor een ander (Sophie?) opgevat.
Madame Petit-Dutreuil is  een van de minnaressen van Jerome. Haar dochter Nicole ontvlucht het huis en gaat naar het huis van madame Fontanin (haar tante), waar ze verder opgroeit.
Rinette is dezelfde als Victorine Le Gad;  ook: Cricri (zo noemt Jérôme haar). Dienstmeisje van Mme Petit-Dutreuil, met wie Jérôme het ook al aanlegt. Zij wil een kind van hem, later weer van Daniel.  Ze hééft een kind gekregen (er staat niet bij van wie), voor wie Jerome zich verantwoordelijk voelt. In plaats van geld aan zijn vrouw te geven, gaat hij haar onderhouden. Laat het aan zijn vrouw dat te regelen!  

Deel 1 beslaat 6 grote hoofdstukken; eigenlijk boeken. ze hebben ook elk een eigen ontstaansjaar:

Het grijze schrift,1922.
Het verbeteringsgesticht, 1922.
Onbezorgde dagen, 1923.
Het spreekuur, 1928.
La sorellina, 1928.
De dood van de vader, 1929.

Het boek leest heerlijk weg. Ik heb alle delen A la recherche du temps perdu gelezen van Marcel Proust, en ik ben het met  't Hart eens: dit leest veel prettiger. Toegegeven: ik las beide auteurs in vertaling. Maar Proust maakt zinnen van een halve bladzijde of méér soms. De eerste twee delen zijn geweldig,  maar in de latere delen hinderde mij Prousts zieke geest.

Wonderlijk dat wij nu pas kennis maken met Roger Martin du Gard!

Zeer indrukwekkend is het hoofdstuk De dood van de vader. Martin du Gard beschrijft het sterfbed zeer waarachtig en indringend. Natuurlijk werd ik er niet vrolijk van. Ik stel me ook zo voor dat sterven in die jaren nog zwaarder was dan nu. Euthanasie - uiteindelijk wordt euthanasie gepleegd - was toen nog helemaal niet bespreekbaar. Gelukkig zijn de tijden wat dat betreft veranderd, RDM was wat dat betreft modern.

Ik ben al met al heel benieuwd naar de volgende delen. Ik ga ze allemaal lezen! (Maar ik lees op internet dat ik voor deel 2 nog tot na 2015 moet wachten!)

Ten slotte vermeld ik hier nog, dat ik Roger Martin du Gard leerde kennen door het kleine boekje
De Verdrinking , dat ik in juli van dit jaar aan Marjanne cadeau deed. Daardoor ben ik geïnteresseerd geraakt in dit werk.
Afbeelding Roger Martin du Gard.
Ten slotte hier één van de vele lovende kritieken, van de hand van Jeroen Vullings. Uit Vrij Nederland.







maandag 20 oktober 2014

True grit, Joel en Ethan Coen, 2010.

Hoes/Poster
Na Blood Simple, Fargo, en O Brother, where art thou was ik natuurlijk opnieuw nieuwsgierig naar deze film van de gebroeders Coen. Ik hád hem al eens gezien, maar ik wilde hem opnieuw ondergaan.
Het is het verhaal van een 14-jarig meisje Mattie Ross, dat de moordenaar van haar vader, Tom Chaney, op wil zoeken en laten berechten. Ze zoekt daarvoor iemand met 'true grit', de juiste volharding. Ze meent die man gevonden te hebben in U.S. Marshal Rueben 'Rooster' Cogburn, een eenogige, ruwe man. 
Hier Hailee Steinfeld (Mattie) en Jeff Bridges als zichzelf.
Er dient zich nog een kandidaat aan, 'mister Laboeuf' (Matt Damon). Maar de ware true grit zit toch echt in Cogburn, zoals de film laat zien.
Er volgt een achtervolging over de prairie, waarbij verscheidene doden vallen.
Uiteindelijk vindt Mattie de moordenaar van haar vader, en doodt hem zelf. Daarbij valt ze echter in een diep gat, waar ze door een slang gebeten wordt. Cogburn bewijst dan zijn waarde: hij rent met haar op haar kleine paard naar een dokter; als haar paard het begeeft, gaat hij te voet verder, hij draagt het meisje in zijn armen. Mattie wordt gered, maar moet een arm laten amputeren. Jaren later zoekt ze Cogburn op, maar die is dan net overleden. 
Mattie Ross, goed van de tongriem gesneden, voor niemand bang. 
Mister Labouff 
....gespeeld door Matt Damon 
Engerd onderweg, brengt hen in contact met de Tom Chaney 

Cogburn 
Hier in actie. 


Wat de films van de Coens ook zo mooi maakt, zijn altijd de plaatjes... 
Hier hebben we hem: Tom Chaney. (Josh Brolin) 
De gebroeders Coen aan het werk. 
Weer zulk mooi werk. 
Trailer.
Eerlijk is eerlijk: de eerste keer was de film tóch leuker!
Maar ik blijf fan van de Coens!
En o ja: de film is naar een boek van Charles Portis, met dezelfde titel. Het is ook al eerder verfilmd, met John Wayne.

Vision - aus dem Leben von Hildegard von Bingen, Margaretha von Trotta, 2009

Hoes  
Margarethe von Trotta maakte een film over de middeleeuwse Hildegard von Bingen. Deze non leefde van 1098 tot 1179. In 1106 werd ze als tiende kind opgedragen aan God. Ze kreeg huisonderwijs, samen met Jutta van Sponheim, onder leiding van de weduwe Uda von Göllheim.
In 1112, op Allerheiligen (1 november) deed ze intrede in de kluis naast het bendictijner klooster van de Disibodenberg.
Ergens tussen 1112 en 1115 deed ze haar kloostergelofte.
22 december 1136 sterft Jutta, Hildegard wordt dan priores.
In 1141 heeft ze haar eerste grote visioen, ze begint aan haar werk Scivias. Het eerste theologische werk van Hildegard.
Hier werk van een miniatuurschilder; uit Scivias, verbeelding van het Vierde Visioen
Tussen 1141 en 1151 voltooit ze dit, schrijft liederencomposities en Ordo Virtutum, een toneelstuk. De nonnen speelden dit zelf, één keer per jaar mochten ze dan in gewone kleren. De film laat dit ook zien.
1147 schrijft Hildegard haar eerste brief aan Bernardus van Clairvaux.
In 1147 en 1148 vindt de Synode van Trier plaats. Paus Eugenius III leest openlijk uit het werk van Hildegard voor. Hierbij is Bernard van Clairvaux aanwezig.
In 1150 verhuist Hildegard met 20 zusters naar de Rupertsberg. Een eigen klooster wordt gebouwd. Dit nadat ze een visioen gekregen had om dit te doen, zich losmaken van het mannenklooster. Ze ondervond daarbij veel tegenwerking.
Tussen 1151 en 1174 schrijft ze nog een aantal  grote werken: Physica en Causae et Curae; Liber Vitae Meritorium (boek van het verdienstelijke leven)  en het Liber Divinorem Operum (boek van de goddelijke werken).
In 1165 volgt de stichting van een tweede klooster aan de overkant van de Rijn in Eibingen bij Rüdesheim.
1173: secretaris Volmar sterft.
1179: 17 september sterft Hildegard.
Tussen 1181 en 1186 voltooit magister Theodorik de Hildegard-Vita.
Er is een omvangrijke correspondentie van Hildegard bewaard gebleven, meer dan 300 brieven. Juist door die brieven groeide haar bekendheid.
 
Frater Henri Boelaers schreef uitleg bij de miniaturen uit de Scivias. Zie DEZE SITE, voor alle miniaturen. De Frater schreef de biografie De Ariadnedraad van een monnik. Een halve eeuw meditatieve omgang met Hildegard von Bingen. Kampen, 1997.
Voor zover ik weet is niet bekend wie de miniaturen geschilderd heeft. Ik meen dat ze wel van dezelfde tijd zijn als die van Hildegard. Maar schreef zij eerst de Visioenen, en schilderde de miniaturist er toen zijn plaatjes bij? Of was het juist andersom? We weten het niet.
 
Margarethe van Trotta maakte een menselijke film van Hildegard. Alle bovengemelde feiten keren terug. Hildegard is, behalve een sterke en bijzondere vrouw, ook maar een mens. Dat blijkt uit haar verhouding tot de non Richardis. Ze heeft een heel sterke band met haar, die als moeder-dochter wordt beschreven. Maar Hildegard kan haast geen afscheid van haar nemen, als Richardis besluit zelf priores van een ander klooster te worden.
De ondeugd die vaker genoemd wordt, is de jaloezie.
Hildegard hield van de natuur, en stond een gezonde levenshouding voor. Ze wist ook veel van planten en kruiden. Er worden nu nog altijd boeken van haar verkocht over dit onderwerp in Duitsland.
Op zoek naar heilzame planten en kruiden.
... waarover zij haar 'dochters' instrueerde. En over schreef.
Ze werd gesteund door broeder Volmar, tot aan zijn dood.
Hildegard en broeder Volmar
Dit in tegenstelling tot de abt van de Benedictijners, die haar als een werktuig van de duivel zag. Maar Hildegard onderhield betrekkingen met de groten der aarde, o.a. Bernard van Clairvaux. Zelfs de paus las haar werk, en stimuleerde haar haar visioenen te boek te stellen. Puur feministisch was haar actie om onder het mannenklooster uit te komen.
Richardis von Stade, jonge edelvrouw wordt door haar moeder aan Hildegard toevertrouwd.

 
Het bezit van boeken was, zeker voor een vrouw, héél bijzonder in die tijd.
Margarethe von Trotta aan het werk.
Kloosterleven
De hoofdrolspeelster Barbara Sukowa met Von Trotta 
Trailer
Ten slotte een film met Hildegards prachtige meditatieve muziek. Met dito beelden erbij.
 
In 2007 volgde ik een cursus bij de HOVO: Hildegard von Bingen (1098-1179), een allesomvattende vrouw.
Uit die cursus heb ik de tijdtabel gebruikt voor haar leven. Alles komt ook in de film aan de orde.
Ik was speciaal geïnteresseerd in Von Trotta, omdat die ook het leven van Rosa Luxemburg heeft verfilmd. Tot nu toe heb ik die film nog niet te pakken kunnen krijgen. Maar hij circuleert ook op YouTube, dus binnenkort komt ook daar vast een blog van!
 


zondag 19 oktober 2014

De Boerenoorlog, Martin Bossenbroek, 2012 (2014)

Boekomslag
Een zeer leesbaar, en bij tijden zelfs spannend boek. De Boerenoorlog 1899-1902 (ook wel de Tweede Vrijheidsoorlog genoemd) wordt besproken aan de hand van de levens van drie mannen in die periode: Willem Leyds, Winston Churchill en Deneys Reitz.
Willem Leyds
Leyds was staatsprocureur van Nederland, later kreeg hij ook een functie bij de Zuid-Afrikaanse Spoorwegen. Dat maakte hem verdacht in de ogen van velen, het kon op belangenverstrengeling wijzen.
Ik raakte tijdens het lezen onder de indruk van zijn integere manier van werken, een juridisch Pietje Precies, die het niet zo gauw op vechten wilde laten aankomen.
Bracht een deel van zijn leven in Zuid-Afrika door, maar later als diplomaat in Europa. Na de Vrede van Vereniging moest hij ander werk zoeken. 
Oorlogscorrespondent Winston Churchill
Het tweede deel is geschreven vanuit het perspectief van Churchill, die als jonge man in Zuid-Afrika werkte als oorlogscorrespondent. Hij was heel avontuurlijk, en vocht ook mee met de Engelsen. Beroemd zijn zijn ontsnapping uit de gevangenis,
Verslag van zijn ontsnapping
en zijn deelname aan de strijd, bijvoorbeeld bij het van de rails duwen van twee wagons. Hij had onwaarschijnlijk veel geluk en gedroeg zich onder vijandelijk vuur als de officier die hij niet was. In zijn journalistieke werk was hij onafhankelijk, hetgeen hem veel kritiek opleverde.
De stukken over Churchill lezen als een spannend jongensboek.
Het derde deel is geschreven vanuit het perspectief van Deneys Reitz, een van de vier broers Reitz (Deneys, Frank, Hjalmar en Joubert.) Hun vader was Francis William Reitz.
 

Deneys Reitz, Boerencommando 
Voor een goed overzicht van het verloop van de gebeurtenissen zie deze uitstekende samenvatting in het  Historisch Nieuwsblad.
Afbeelding uit de Eerste Boerenoorlog 1880-1881. De Slag bij Majuba was vernederend voor de Engelsen.

Ik zelf vond het deel over Leyds het leukste, hoewel dat stuk wel sterk beconcurreerd  werd door dat over Churchill. Maar ik kies toch voor Leyds, omdat ik het interessant vond te lezen hoe Nederland zich verhield tot de Oranje Vrijstaat en Transvaal. En hoe kwam het toch dat de Boeren opeens zo populair geworden waren.
Het stuk over Churchill was soms hilarisch: zo'n vreemde man, met zo'n moeder die zich nergens iets van aantrok. Ik bewonderde zijn moed.
Reitz zei mij het minste, de man zelf kwam voor mij niet tot leven.
Dat was wel het geval met de Boerenoorlog zelf: die is via deze drie mannen zo beeldend geschreven, dat je je er zeer goed een voorstelling van kunt maken. Spectaculair zijn het ontdekken van het goud en de diamanten. Hoe zoiets met zich meebrengt, dat de gehele infrastructuur aangepast moet worden. Dan duikt ook de figuur van Cecil Rhodes, op, de 'Colossus' die alles wat hij hebben wil simpelweg koopt.
Spotprent Rhodes
De man zelf, Cecil John Rhodes.
 
Er komen in het boek heel wat bekende namen voor:

 
President Paul Kruger, die Leyds naar Zuid-Afrika haalde.

Kruger werd 79 jaar; hij overleed in 1904 in Zwitserland. Zijn bijnaam was Oom Paul.
Louis Botha, generaal van de Boeren.
Het driemanschap De Wet, De la Rey en Botha; Boeren.
Hier nog even De la Rey apart; 'de Leeuw van Transvaal'.
 
Een jonge Mohantas Ghandi, die ook een rol speelde in de Boerenoorlog. Hij trachtte aanvankelijk het koloniale bewind de diensten aan te bieden van de Brits-Indische gemeenschap. Maar voor hem en zijn achterban bleven de Engelsen onverbiddelijk met hun colour line. Vanaf toen ging hij in verzet: satyagraha, geweldloos verzet werd zijn nieuwe strategie.

Baden Powell, The Hero of Mafeking. Werd later de stichter van de padvinderij.
Plaatje van Johannesburg, 1888. Schoot als een paddestoel uit de grond na de ontdekking van het goud.
Manschappen Boerenartillerie
Aan Engelse zijde: Lord Kitchener
Lord Roberts
 
Ik wil méér over de Boerenoorlog schrijven zodra wij het gesprek met de Senia-groep hebben gehad. Bijvoorbeeld over de vele slachtoffers die in interneringskampen terecht waren gekomen. Dat deel van de oorlog kende ik niet, en dat maakte veel indruk op me. Zie ook het Vrouwenmonument.
Women's Memorial, ter gedachtenis aan 26.000 (!) gestorven zwarten en Boeren, vooral kinderen, in de Boerenoorlog.
 
 
Recensies:
 

Ik citeer hier een stukje uit de recensie van Acta Historica:

De auteur beschrijft dit alles op vlotte en boeiende wijze. De keuze voor drie hoofdpersonen en zijn voortdurende wisseling van perspectief zorgt ervoor dat de lezer een veelzijdig beeld krijgt van dit fascinerende conflict. Het lijkt echter alsof de auteur twee verschillende doelen nastreeft. Enerzijds wil hij laten zien dat de Nederlandse inbreng in de aanloop en het verloop van de Boerenoorlog aanzienlijk is geweest, anderzijds wil hij ook een totaalbeeld geven en deze inbreng in passen in het geheel. Gevolg is wel, dat een groot gedeelte van zijn boek gebaseerd is op bekende informatie. Hoewel hij zeker een belangrijk deel toevoegt, baseert hij zich voor het tweede en derde deel van zijn werk door zijn keuze voor twee (met name in de Engelstalige wereld) bekende (sleutel)figuren, op veelal reeds bekende informatie. Hij vervalt hiermee ten dele – ondanks de vele wisselingen van perspectief – in de traditionele geschiedschrijving van de oorlog. Het was wellicht beter geweest, vooral ook voor een nog verdergaande analyse van de Dutch connection om twee andere, bijvoorbeeld Nederlandse, hoofdpersonen te kiezen. Bijvoorbeeld een figuur uit politiek Den Haag, een vrijwilliger in de Boeren- (of zelfs Britse) gelederen of een in één van de veldhospitalen werkzame Nederlandse vrouwen.
 
Opmerkelijk vond ik deze reactie van Arie Kok, in het artikel Gereformeerden in oorlog:

De Boerenoorlog is een stuk geschiedenis dat ook over ons gaat. De romantiek van Penning blijkt een tijdgebonden beeld. Bossenbroek zou er iets van moeten hebben. De betekenis van het geloof voelt hij niet echt aan. Maar zijn boek is sprankelend en doorwrocht.
 
Ik laat hier een drietal foto's zien van beelden in het Freedom Park in Zuid Afrika, zoals Bossenbroek ze noemt:
Die afskeid, 11-10-1899, laat het vertrek naar het front zien van een strijdlustige jonge Boer bij het uitbreken van de oorlog.
Die banneling, grootvader met kleinzoon aan de reling van een schip. als symbool voor de vele duizenden krijgsgevangen Boeren die in de loop van de oorlog door de Britten werden overgebracht naar kampen overzee.  
Die Bittereinder 1902, verbeeldt de toestand van de overgebleven commando's aan het eind van de oorlog: een moegestreden Boer op een scharminkelig paar, getekend door jaren van ontberingen maar desondanks met rechte rug.

Ik stuitte op internet op een liedje dat ik nog van vroeger nog ken. (Alleen het refrein.)  Het is waarschijnlijk een bewerking van een lied uit de Amerikaanse Burgeroorlog, bewerkt voor een van de twee Boerenoorlogen in Zuid-Afrika.

My Sarie Marais is so ver van my hart,
Maar'k hoop om haar weer te sien.
Sy het in die wyk van die
Mooirivier gewoon,
Nog voor die oorlog het begin.

O bring my t'rug na die ou Transvaal,
Daar waar my Sarie woon.
Daar onder in die mielies
By die groen doringboom,
Daar woon my Sarie Marais.
Ek was so bang dat die Kakies my sou vang
En ver oor die see wegstuur;
Toe vlug ek na die kant van die
Upington se sand
Daar onder langs die
Grootrivier.
O bring my trug na die ou Transvaal,
Daar waar my Sarie woon.
Daar onder in die mielies
By die groen doringboom,
Daar woon my Sarie Marais.
Die Kakies is mos net soos 'n krokodillepes,
Hulle sleep jou altyd water toe;
Hul gooi jou op n skip vir 'n lange, lange trip,
Die josie weet waarnatoe.

O bring my t'rug na die ou Transvaal,
Daar waar my Sarie woon.
Daar onder in die mielies
By die groen doringboom,
Daar woon my Sarie Marais.
Verlossing het bekom en die huis terugkeer was daar,
Terug na die ou Transvaal;
My lieflingspersoon sal er vas en zeker wees
Om my met 'n kus te beloon.

O bring my t'rug na die ou Transvaal,
Daar waar my Sarie woon.
Daar onder in die mielies
By die groen doringboom,
Daar woon my Sarie Marais.
Hetzelfde gevoel van nostalgie heb ik niet voor de boeken van Louwrens Penning. Ik heb er één deeltje antiquarisch van gekocht, De Verkenner van Christiaan de Wet. Ik heb ze niet als kind gelezen. Ik denk dat dat komt omdat het erg christelijk-gelovig aandoet, en voor mij als katholiek meisje was dat van het verkeerde geloof. :-)
Het boekje is van begin twintigste eeuw, zoals alle deeltjes van de Wessels-serie.
Hoe leuk ook om te lezen, ik heb het niet afgemaakt. Bossenbroeks boek zelf is al één en al oorlogsverslag, het werd me iets te veel van het goede (kwade).
Hier nog een stukje documentaire. 
En ten slotte: de auteur, Martin Bossenbroek.